1 De woorden van den prediker, den zoon van David, den koning te Jeruzalem.
2 IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.
3 Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon?
4 Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid.
5 Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.
6 Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.
7 Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weder.
8 Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.
9 Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.
10 Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn.
11 Er is geen gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, van dezelve zal ook geen gedachtenis zijn bij degenen, die namaals wezen zullen.
12 Ik, prediker, was koning over Israël te Jeruzalem.
13 En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der mensen gegeven, om zich daarin te bekommeren.
14 Ik zag al de werken aan, die onder de zon geschieden; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes.
15 Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden.
16 Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.
17 En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.
18 Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.

Deze tekst werd in 2008 gepubliceerd op het onvolprezen en inmiddels ten grave gedragen sociale netwerk hyves.

There won’t be Snow in Africa this Christmas Time

Aangezien ik overtuigd ben van het feit dat ik paranormaal begaafd ben begin ik met een gewaagde titel. Ver van mijn bed, in donker Afrika, schijnt op dit moment de zon en is het heerlijk weer. Hoe anders is het in ons koude kikkerlandje.

Het kleine stukje aarde waar ik op leef is op dit moment bedekt onder een wit laken. Als ik naar buiten kijk word ik bevangen door de zuiverheid van dit adembenemende tafereel. De wereld lijkt stil te staan. Het is een vreemd fenomeen, maar sneeuw haalt het kind in de mens naar boven. Een kind dat nog niet belust is op geld en macht, een kind dat geen problemen ziet maar kansen, een kind dat geniet van elke dag en zich geen zorgen maakt om morgen. Misschien komt er geen morgen, en misschien is dat maar beter ook. Tijd is de beste leraar, helaas doodt hij al zijn leerlingen.

2008 was weer een enerverend jaar vol hoogte- en dieptepunten. Joran van der Sloot was een van de meest besproken mensen van 2008, daarom wil ik er zo weinig mogelijk woorden aan vuil maken. Ik hoop dat Joran in 2009 definitief doorbreekt, en dan bij voorkeur ter hoogte van zijn nek. Andre Rouvoet kaartte dit jaar de losgeslagen seksuele moraal van de jeugd aan. In zijn ogen een groot probleem, in mijn ogen een grote kans. Sommige dingen zijn slechter dan seks, sommige dingen beter, maar er is niets dat even goed is als seks.

Het was het jaar van Fitna the Movie. Volgens velen de film die een derde wereldoorlog, en dus indirect het einde van de wereld zou inleiden. Fitna was veel minder heftig dan veel mensen hadden verwacht en misschien wel gehoopt. En dus hielden Allah en zijn aanhangers zich gelukkig rustig. Maar dat het nou echt een film was voor een romantisch avondje bioscoop kun je ook niet zeggen. De angst die zowel de Nederlandse regering als bevolking in haar greep hield in aanloop naar deze film was begrijpelijk. Het moge duidelijk zijn dat lang niet alle moslims extremistische ideeën aanhangen, maar degenen die dat wel doen vormen een grote bedreiging voor onze samenleving. Daar mogen we onze ogen niet voor sluiten.
Wat dat betreft zijn moslimextremisten net Feyenoord-supporters, ze zijn niet voor Allah, maar tegen christenen. Zoals mensen die zich Feyenoord-supporter noemen niet voor Feyenoord zijn, maar tegen Ajax zijn. Ik besef mij terdege dat deze vergelijking een grove belediging is voor moslimextremisten en wil er dan ook de kanttekening bijplaatsen dat het I.Q. van de gemiddelde moslimextremist veel hoger is dan dat van de gemiddelde Feyenoord-supporter.

Persoonlijk was 2008 voor mij een jaar van vooral hoogtepunten. Ik zal u de meeste besparen. Aangezien 2007 het jaar van mijn grote doorbraak was ben ik 2008 ingegaan op één been en twee krukken, maar wel met een rijbewijs. 2008 beëindig ik weer met beide benen op de grond maar zonder rijbewijs. Geen slechte ruil dacht ik zo. Naast mijn rijbewijs ben ik in het afgelopen jaar ook mijn laatste beetje geloof in God verloren. Als u het vindt mag u het houden, ik doe er namelijk niets mee.

Mensen die geloven laat ik in hun waarde, maar ik laat me niets opdringen. Geloof is iets individueels en dat moet je voor jezelf houden. Geloven doe jezelf en kun je niet meekrijgen van uit je opvoeding. “Zalig zijn de armen van geest en de benen van vrouw van der Leest”, dus ik maak weinig kans. Een mens heeft van nature een neiging om in een hogere macht te geloven, maar niemand kan je precies vertellen hoe het zit. Ik geloof ook in een hogere macht, namelijk in mezelf. Nee mensen dat is geen spotten, dat is mijn mening. Refererend aan het stukje hierboven zijn evangelisten e.d. in mijn ogen overbodig. Helemaal in het pittoreske dorpje Elspeet waar inmiddels meer kerken dan inwoners zijn, en waar iedere inwoner de Bijbel beter kent dan welke evangelist dan ook. Ik adviseer deze evangelisten dan ook om bij de Mc Donalds te gaan staan en de mensen, met name de jonge dames, te waarschuwen voor de gevolgen van fastfood. Daar word je naar het schijnt nogal dik van en dat vind ik zonde van al die mooie dames.

Sommige mensen zeggen dat het leven is wat je er van maakt, anderen zeggen dat het leven is wat je gebeurt. Er zit allebei een kern van waarheid in maar ik denk dat het belangrijk is hoe je omgaat met de dingen die je overkomen. Oftewel: “Het leven is wat je maakt van de dingen die je gebeuren”. Sommige dingen gaan niet helemaal zoals wij graag zouden willen. Maar bedenk altijd dat er mensen zijn die het veel slechter hebben dan wij. Wij hebben weinig reden tot klagen zolang we nog eten, drinken, seks en een dak boven ons hoofd hebben. Het leven heeft zoveel positieve kanten dat pessimisten er moedeloos van worden. Geluk is overigens met de dommen en dus ook voor mij niet weggelegd.

Na regen komt zonneschijn, jammer genoeg na sneeuw ook. Aan het einde van mijn conference gekomen zijnde is de sneeuw als sneeuw voor de zon verdwenen. Kun je nagaan hoe snel ik typ. Het mooie witte stukje aarde waar op ik ondanks alles nog steeds leef is veranderd in een grijze grauwe modderbende. Iedereen klaagt weer dat het weer zo slecht is en dat het kerstpakket veel te klein is. In donker Afrika sterven duizenden mensen aan aids, malaria en andere tyfusziekten. Maar ze hebben in ieder geval geen last van die kutsneeuw en die teringzooi die er achterblijft, om over een kerstpakket nog maar te zwijgen.

De hele wereld is failliet en Obama is de grote goede neger die ons van de ondergang gaat redden.  Heb niet de illusie dat 2009 jouw jaar gaat worden, want het wordt mijn jaar!

Ik wil alle gereformeerden een voorspoedig 2009 wensen.

Alle moslimextremisten, Feyenoord-supporters en andere armen van geest een gelukkig 2009.

Alle leuke dames een liefdevol en romantisch 2009.

Degenen die zich tot geen van bovengenoemde groepen voelen aangesproken wens ik een fantastisch 2009 toe.

Je zult er wel elke dag weer voor moeten vechten, ook in 2009 krijg je het niet cadeau. Ik kan je er wel bij helpen maar zelfs ik kan het niet alleen!

Jaap van Ark

“Het klopt dat ik geloof dat er binnen de islam geen plaats is voor andere religies, omdat de islam de enige ware religie is. Elke moslim hoort een fundamentalist te zijn, letterlijk stevig gegrondvest op de fundamenten van zijn religie. Doe je dat niet, dan geloof je niet echt en ben je een hypocriet.”

Deze quote uit de krant voor goed volk is van Maiwand al-Afghani, de man die veel stof deed opwaaien door zijn ‘extremistische’ optreden bij Knevel en Van den Brink. In dezelfde krant zegt Hasan Küçük, gemeenteraadslid in Den Haag: “Er zijn geen orthodoxe, liberale of gematigde moslims. Je kunt ook niet ‘een beetje’ in Allah geloven”. Hiermee wordt een grote denkfout over religie aan de kaak gesteld. Een ‘ware gelovige’ is namelijk per definitie een fundamentalist, een extremist of hoe je het beestje ook wil noemen.
Een ‘ware christen’ zou precies hetzelfde zeggen. Homofilie is een grote zonde en iedereen die niet in onze God gelooft zal voor eeuwig branden. Het christendom is de enige ware godsdienst en iedereen die anders denkt zit fout. Waarom? Omdat het in de Bijbel staat, en de Bijbel is onfeilbaar.

Religies als de islam en het christendom zijn per definitie extremistisch. Het probleem is niet hun aanhangers, maar de religie zelf. In zowel de Koran als de Bijbel staan dingen die niet te rijmen zijn met onze westerse opvattingen over vrijheid en mensenrechten. Beide religies hebben als hoofddoel het verspreiden van hun geloof op aarde. Zoveel mogelijk zondaren bekeren tot het ‘ware geloof’. De manier waarop doet er niet toe, indoctrinatie en geweld worden niet geschuwd.
Als je oprecht in iets gelooft is het volkomen begrijpelijk dat je dit met andere mensen wil delen. Net zoals ik mijn opvattingen graag met anderen deel, maar om indoctrinatie en geweld te gebruiken gaat me ietwat ver. Tegenwoordig nemen veel ‘gelovigen’ hun heilige boeken niet meer zo serieus. Ze proberen hun geloof wat op te leuken en de scherpe kantjes eraf te halen. Het lijkt er sterk op dat zelfs religie aan evolutie onderhevig is.

Toch heb ik meer respect voor ‘orthodoxen’ die zich strikt aan hun heilige boek houden, dan voor ‘gematigden’ die alles in een politiek correct vaatje proberen te gieten. ‘Orthodoxe gelovigen’ zijn extreem kortzichtig, maar ze zijn in ieder geval principieel. ‘Gematigde gelovigen’ zijn daarentegen vooral hypocriet.

Jaap van Ark

Dit artikel verscheen eveneens op http://www.thepostonline.nl

In het opiniestuk van de Volkskrant van 20 maart 2013 ageert Kees van der Staaij, partijleider van de SGP, tegen de afschaffing van het verbod op smalende godslastering. Verbod op smalende godslastering? Ja, in het zogenaamd seculiere en liberale Nederland bestaat een verbod op godslastering.

Maar wat is godslastering? Wanneer voelt God zich gekwetst? Dat is nogal lastig te bepalen omdat wij niet dagelijks contact met hem hebben. Zou God zich echt gekwetst voelen als wij, nietige aardse ‘schepseltjes’, hem beledigen? Ik denk dat hij er om zou lachen. En als hij zich wel gekwetst zou voelen zou hij ons zelf straffen. Daar heeft de almachtige HEERE der heirscharen de Nederlandse regering echt niet voor nodig.

Het is dus vrij problematisch om te bepalen wanneer God zich gekwetst voelt. Het verbod op godslastering neemt dan ook de aanhangers van een bepaalde godsdienst in bescherming. Als gelovigen zich diep gekwetst voelen is er sprake van godslastering. Er wordt onderscheid gemaakt tussen gelovigen en niet-gelovigen, de eerstgenoemden krijgen een voorkeursbehandeling. Deze wet staat haaks op het in de Grondwet verankerde recht op gelijke behandeling. Daarnaast is de term ‘gelovige’ moeilijk te definiëren. Want wat is een gelovige? Ieder mens heeft een soort van levensovertuiging en is in die zin een gelovige. Christenen geloven in God, liberalen in vrijheid, empiristen in waarneming – en ga zo maar door. Een communist bijvoorbeeld, kan Karl Marx als God zien.

Deze wet discrimineert, is arbitrair, en geheel overbodig. Er zijn namelijk al wetten die perken stellen aan de vrijheid van meningsuiting. Het Wetboek van Strafrecht verbiedt het plegen van smaad(artikel 261), laster(artikel 262), belediging en groepsbelediging(artikel 266). In artikel 137d wordt zelfs het aanzetten tot haat, geweld of discriminatie – tegen wie dan ook – strafbaar gesteld. Ook deze wetten liggen overigens onder vuur omdat ze nogal arbitrair zijn. Degene die een uitspraak doet bepaalt niet of die uitspraak beledigend is, dat wordt bepaald door de ontvanger. Degene die het snelst op zijn of haar teentjes getrapt is, bepaalt de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Uiteraard kan dat nooit de bedoeling zijn in een samenleving waar vrijheid misschien wel het grootste goed is. De Britse schrijver George Orwell verwoordde het als volgt: “If liberty means anything at all, it means the right to tell people what they do not want to hear.” Vrijheid van meningsuiting is essentieel voor een goed werkende democratie. Niet alleen de mening van de meerderheid telt, maar ook een afwijkende, controversiële mening. Afwijkende meningen zetten ons aan het denken en gaan tegen ons kuddegedrag in.

Het beste argument om het verbod op smalende godslastering uit ons wetboek te halen kwam echter van Kees van der Staaij zelf. “De symboliek van deze afschaffing is: God moet verbannen worden uit onze wetgeving.” Daar slaat Kees de spijker op de kop: scheiding van kerk en staat. De staat dient zich niet te bemoeien met het geloof van haar burgers. Gelovigen hebben dezelfde rechten en plichten als andere burgers.

Om diezelfde reden kan de vrijheid van godsdienst uit de grondwet worden geschrapt. Zoals ik al eerder beredeneerde is godsdienst of geloof ondefinieerbaar, iedereen kan zichzelf gelovig vinden. Er is dus wederom sprake van discriminatie van niet-gelovigen op basis van onduidelijke gronden. Daarnaast is de vrije uitoefening van het geloof al gegarandeerd door de vrijheden van meningsuiting, vergadering en vereniging. Door de vrijheid van godsdienst uit de grondwet te halen verandert er in de praktijk helemaal niets, er is namelijk nog steeds vrijheid van godsdienst alleen op basis van een ander wetsartikel. Religie discrimineert per definitie en hoort niet thuis in onze wetgeving. Er zal geen discussie meer zijn over welk grondrecht belangrijker is: het recht om te discrimineren, oftewel vrijheid van godsdienst – of het recht op gelijke behandeling. Als we God verbannen uit onze wetgeving behandelen we iedereen als gelijken, en daar kunnen de meeste gelovigen nog veel van leren.

Jaap van Ark

Inleiding

Waarom stelt de overheid het dragen van een gordel tijdens het autorijden verplicht? Waarom probeert de overheid het gebruik van alcoholische dranken te ontmoedigen? Waarom stelt de overheid zulke strenge voorwaarden aan euthanasie? Door geen autogordel te dragen, alcohol te gebruiken en euthanasie te plegen, brengen wij immers alleen onszelf eventuele schade toe, we brengen het leven van onze medemens niet in gevaar. Is het legitiem dat de overheid zich met deze zaken bemoeit, oftewel wat zijn de redenen van de overheidsbemoeienis en zijn deze redenen gerechtvaardigd? Volgens het liberale denken, dat heden ten dage zeer breed gedragen wordt, is de enige taak van de staat het bevorderen van de vrijheid van haar burgers. Dit moet de staat doen door zoveel mogelijk obstakels weg te nemen die de vrijheid van het individu inperken. De staat mag alleen ingrijpen als de vrijheid van haar burgers in het geding komt. Kortom, betutteling is een doodzonde.
John Stuart Mill bedacht hiervoor het schadebeginsel dat dient om ingrijpen van de staat te legitimeren. Iemands vrijheid mag alleen beperkt worden voor zover dat nodig is om te verhinderen dat diegene anderen schaadt. Het schadebeginsel is echter vatbaar voor verschillende interpretaties. Want wat is precies schade aan anderen? Alleen lichamelijke schade, of ook geestelijke en economische schade? En is schade aan anderen echt het enige criterium, of zijn er ook andere redenen om in te grijpen? Mag de staat ingrijpen als iemand zichzelf dreigt te schaden? Zijn er goede redenen om mensen tegen zichzelf te beschermen, zoals een vader zijn kind tegen zichzelf beschermd, oftewel is paternalisme in sommige gevallen toegestaan? Door middel van recente voorbeelden uit de maatschappij en relevante filosofische theorieën zal ik laten zien wat de relatie is tussen het schadebeginsel en paternalisme. Dit doe ik aan de hand van de volgende centrale vraag:

In hoeverre staat het schadebeginsel van Mill paternalistische interventie van de staat toe?

De centrale vraag beantwoord ik door in het eerste hoofdstuk uit te leggen wat het schadebeginsel precies inhoudt. Vervolgens zal ik in het tweede hoofdstuk duidelijk maken wat paternalisme is. Ten slotte zal ik in het derde hoofdstuk deze twee begrippen aan elkaar koppelen om tot een conclusie te komen.

Hoofdstuk 1. Wat is het schadebeginsel?

1.1 Het schadebeginsel

Het invloedrijkste principe om staatsingrijpen te legitimeren is het schadebeginsel (harm principle). Dit principe vindt zijn oorsprong in het werk On Liberty van de Engelse filosoof John Stuart Mill. In dit werk stelt Mill dat de staat zich altijd moet verantwoorden om in te grijpen in het leven van haar burgers. Het schadebeginsel luidt als volgt: “That principle is, that the sole end for which mankind are warranted, individually or collectively, in interfering with the liberty of action of any of their number, is self-protection. That the only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others”.[1] De staat mag alleen ingrijpen in de vrijheid van de ene burger, als diegene de ander dreigt te schaden. De vrijheid van de één houdt op wanneer het de vrijheid van de ander schaadt.

1.2 Negatieve vrijheid versus positieve vrijheid

Het schadebeginsel komt voort uit een negatieve conceptie van vrijheid. Deze vrijheidsconceptie werd geïntroduceerd door de Britse filosoof Isaiah Berlin in zijn beroemde essay Two Concepts of Liberty. Hierin maakt hij onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid, niet in de zin van ‘slecht’ en ‘goed’, maar in de zin van ‘afwezig’ en ‘aanwezig’. Negatieve vrijheid betekent de afwezigheid van externe obstakels. Er is geen sprake van onderdrukking of slavernij, iedereen kan doen wat hij of zij wil. Dit negatieve vrijheidsideaal is de basis van het klassieke liberalisme. De staat moet er voor zorgen dat er geen externe obstakels zijn en zich verder niet met haar burgers bemoeien. Een nachtwakersstaat met zo weinig mogelijk politieke interventie is het ideaal.

Positieve vrijheid daarentegen is de aanwezigheid van capaciteiten. Je bent pas echt vrij als je goede motieven hebt om het juiste te willen. Het positieve vrijheidsideaal wordt gezien als de basis voor zelfbeschikking, oftewel autonomie. Dit principe van vrijheid heeft vooral aanhang onder socialisten. Zij zien het belang van negatieve vrijheid, maar vinden dat het niet genoeg biedt om echt vrij te zijn. Berlin zelf staat nogal sceptisch tegenover positieve vrijheid omdat het zeer vatbaar is voor machtsmisbruik.[2]

1.3 Interpretatie

Hoewel het schadebeginsel heel eenvoudig lijkt, laat het veel ruimte over voor discussie. Want wat is precies schade, en wanneer breng je dat aan een ander toe? Als iemand zijn buurman een gebroken neus slaat, is het duidelijk dat diegene schade toebrengt aan een ander. Het is dus – vanuit het schadebeginsel geredeneerd – volkomen legitiem dat de staat ingrijpt. Er is hier sprake van aantoonbaar lichamelijk letsel. Maar niet elk voorbeeld is zo evident.
Zonder autogordel rijden lijkt alleen eventuele schade op te leveren voor de persoon in kwestie. Dat iemand weigert een gordel te dragen brengt geen directe lichamelijke schade toe aan anderen. Dus lijkt het niet legitiem dat de staat het dragen van een gordel verplicht stelt. Als je schade echter ruimer interpreteert, zou je kunnen stellen dat iemand die geen gordel draagt bij een ongeluk zwaarder letsel oploopt, waardoor de gezamenlijke zorgkosten zullen toenemen. Anderzijds zou je ook kunnen stellen dat gordeldragers langer leven en de samenleving daardoor meer kosten. In dit geval is er dus sprake van economische schade. Deze schade is indirect en veel moeilijker aantoonbaar, omdat het er maar net van afhangt welke schade je meetelt en welke niet.[3]

Een orthodoxe christen kan zich geschaad voelen als twee mensen van hetzelfde geslacht elkaar op straat zoenen. Moet de staat tegen de zoenende mensen ingrijpen? Stel dat de staat zou ingrijpen dan zullen deze twee mensen zich geschaad voelen omdat ze hun gevoelens voor elkaar niet mogen tonen. Als de staat niet ingrijpt voelt de één zich geschaad, als de staat wel ingrijpt voelt de ander zich geschaad.  Zoals uit dit voorbeeld blijkt is het nogal problematisch om ‘geschaad voelen’ als criterium te gebruiken. Mill is een voorstander van de vrijheid van meningsuiting, maar wel met de restrictie dat het niet mag aanzetten tot foute handelingen. Dit is echter ook vrij dubieus, want wanneer zet iets aan tot foute handelingen? En bij wie ligt de verantwoordelijkheid, bij degene die een mening verkondigt, of bij degene die daadwerkelijk fout handelt?

In zijn boek Het huis van de vrijheid concludeert universitair docent politieke filosofie Rutger Claassen dat het schadebeginsel alleen goed werkt als we schade zien als ‘schade aan de autonomie van anderen’. De overheid mag dus alleen ingrijpen als de autonomie van anderen geschaad wordt. In de volgende paragraaf zal ik het begrip autonomie toelichten.

1.4 Autonomie

De term autonomie komt uit het Grieks en wordt vaak vertaald als zelfbestuur of zelfbeschikking. Letterlijk betekent het ‘jezelf de wet stellen’. Dat wij volgens bepaalde wetten leven is evident. Er zit een soort verband in ons handelen, we doen niet zomaar iets. De vraag is echter in hoeverre wij autonoom zijn, de staat legt ons immers allerlei wetten op waar wij naar leven. Claassen betoogt echter dat de staat bijdraagt aan onze autonomie. We hebben juist wetten en staatsbemoeienis nodig om autonoom te kunnen leven. “Vrijheid is niet een kwestie van de afwezigheid van ‘wetten’, maar van zelf bepalen door welke wetten we ons laten leiden.”[4] Als wij er vrijwillig voor kiezen om bepaalde wetten te aanvaarden kunnen wij wel degelijk autonoom leven.

Claassen stelt dat autonomie uit twee componenten bestaat. We hebben de capaciteit nodig om een eigen levensplan samen te stellen en vervolgens moeten we dit levensplan in ons handelen realiseren. Autonomie bestaat uit een voortdurende wisselwerking tussen ons levensplan en onze daden. Het valt moeilijk te ontkennen dat wij in ons denken worden beïnvloed door onze omgeving en heersende levensbeschouwingen, maar dat betekent niet dat wij daarom niet autonoom kunnen zijn, aldus Claassen. “Autonomie vereist zelfbepaling of zelfbeschikking, niet verdergaande zelfrealisatie of –creatie.”[5] Wij kunnen niet allemaal de uitvinder zijn van een nieuwe levensbeschouwing. Zolang wij zelf de keuze hebben om volgens een bepaalde levensbeschouwing te leven, en ook de keuze hebben er weer uit te stappen, zijn wij autonoom. Autonomie gaat prima samen met het met het overdragen van autoriteit aan anderen, als dat maar vrijwillig gebeurt.

Nu we een beter begrip hebben van autonomie kunnen we helder krijgen wanneer onze autonomie geschaad wordt. Autonomie bestaat uit een aantal basisvrijheden, ook wel grondrechten of mensenrechten genoemd. De vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging zijn voorbeelden van basisvrijheden die essentieel zijn voor autonomie. Als er aan deze vrijheden getornd wordt moet de overheid ingrijpen.


Hoofdstuk 2. Wat is Paternalisme?

2.1 Paternalisme

“One behaves paternalistically if one treats an adult as though one were a parent dealing with a child. One’s behaviour shows concern for the welfare of the person and a presumption that one’s judgment about what will promote it is superior. The paradigm of paternalism, and the focus of most philosophical discussion of it, is restriction of people’s liberty against their will for their own good.”[6] Paternalisme is dat iemands vrijheid tegen zijn of haar wil wordt beperkt om het eigenbelang van die persoon te bevorderen, zoals ouders dat bij hun kinderen doen. Deze vorm van vrijheidsbeperking wordt door liberalen vaak als betuttelend en onacceptabel gezien. Paternalisme heeft betrekking op positieve vrijheid omdat het stelt dat iemands wil niet de juiste is, er wordt ingegrepen in de autonomie van een persoon. Als de staat het dragen van een autogordel enkel en alleen verplicht omdat het beter is voor het welzijn van de betrokken automobilist, is er sprake van staatspaternalisme.
Volgens de filosoof Gerald Dworkin is paternalisme alleen gerechtvaardigd als het voldoet aan de volgende voorwaarden: (1) de staat moet aantonen dat de schade die een persoon zichzelf wil toebrengen van dien aard is, dat een rationeel persoon deze schade zou willen voorkomen; (2) de potentiële schade weegt zwaarder dan de potentiële voordelen; (3) de beoogde beperking is het minst beperkende alternatief om schade te voorkomen.[7]

2.2 Hard paternalisme

Dde Amerikaanse filosoof Joel Feinberg maakte in zijn invloedrijke boek Harm to Self een belangrijk onderscheid tussen hard en zacht paternalisme. Hard paternalisme stelt dat zelfs als een persoon er uitdrukkelijk, met zijn of haar volle verstand, voor kiest om iets te doen of te laten, het toch gerechtvaardigd is om paternalistisch in te grijpen. “The hard paternalist position holds that paternalism can be justifiable even if the individual action that is restricted is substantially voluntarily chosen.”[8] 

Een goed voorbeeld van hard paternalisme komt ter sprake in de aanhoudende discussie over euthanasie. Euthanasie wordt gezien als de ultieme vorm van autonomie, een persoon mag immers zelf bepalen wat er met zijn of haar leven gebeurt. Hoewel in Nederland euthanasie in 2002 werd gelegaliseerd, zijn er zeer strenge voorwaarden aan verbonden. De belangrijkste voorwaarde is dat er sprake moet zijn van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Deze voorwaarde drukt precies uit wat autonomie is en zou dus eigenlijk afdoende moeten zijn.
Een andere voorwaarde luidt echter dat er sprake moet zijn van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Dit is een nogal dubieuze voorwaarde, want wanneer is er sprake van uitzichtloos en ondraaglijk lijden? Een persoon kan gewoonweg ‘klaar zijn met leven’, zonder dat daar medische redenen voor zijn. Deze persoon voldoet aan de eerste voorwaarde, maar of hij of zij ook aan de tweede voorwaarde voldoet is lastig te bepalen. Als de staat iemand die vrijwillig en weloverwogen besluit om euthanasie te plegen, daarvan weerhoudt is er sprake van hard paternalisme. De criteria vrijwillig en weloverwogen zouden genoeg moeten zijn om aan het verzoek te voldoen.

2.3 Zacht paternalisme

Zacht paternalisme stelt dat wanneer de autonome capaciteiten van een persoon, al dan niet tijdelijk, afwezig zijn, het gerechtvaardigd is om paternalistisch in te grijpen. “Soft paternalism is the doctrine that paternalism can only be justifiable when the individual choice that is restricted fails to be substantially voluntary – to meet a threshold level of voluntariness.”[9] Er is dus sprake van een afwezigheid van echte vrijwilligheid.

Stel dat iemand onder invloed van alcohol besluit een einde aan zijn of haar leven te maken. Daar schaadt deze persoon alleen zichzelf mee, maar het is de vraag of de persoon in kwestie op dat moment wel in staat is om goed na te denken. Wil hij of zij echt zelfmoord plegen, of brengt de alcohol hem of haar tot deze beslising? Er lijkt geen sprake van echte vrijwilligheid en zeker niet van een weloverwogen besluit. Maar de persoon koos er vrijwillig voor om de alcohol te nemen, zullen sommigen stellen. De vraag is echter of dat zo is. Koos de persoon er vrijwillig voor, of werd de persoon gedwongen door een alcoholverslaving? En stel dat de persoon er vrijwillig voor koos, deed hij of zij dit dan met de intentie om zelfmoord te plegen? Was hij of zij er überhaupt van bewust dat zijn of haar bewustzijn onder invloed van alcohol dermate kan veranderen?  Bij dit voorbeeld lijkt het legitiem dat er paternalistisch ingegrepen wordt, want de persoon in kwestie is niet bij ‘bewustzijn’ en ontbeert de autonome capaciteiten om een verstandig besluit te nemen. Er is dus sprake van zacht paternalisme.

Toch is het onderscheid tussen hard en zacht paternalisme niet altijd zo evident als eerder beschreven. Als voorbeeld nemen we de accijns op alcohol. Los van het feit dat de overheid via deze accijns veel inkomsten genereert, is hier sprake van een paternalistische maatregel. De staat probeert het gebruik van alcohol te ontmoedigen omdat het slecht voor ons is. Onze vrijheid wordt tegen onze zin beperkt, ten gunste van onszelf. Bij zacht paternalisme gaan we uit van twee aannames: (1) alcohol is slecht voor ons; en (2) als we voldoende autonoom zijn, drinken we geen alcohol.De eerste aanname lijkt zeer plausibel. Het is aantoonbaar dat alcohol slecht is voor onze gezondheid. Toch heeft matig alcoholgebruik geen desastreuze gevolgen voor onze gezondheid en kun je je afvragen of de mate van genot die het oplevert niet zwaarder weegt dan de schade aan de gezondheid. De tweede aanname is nog problematischer. Uiteraard zijn er alcoholverslaafden die gedwongen worden door hun verslaving om alcohol te drinken en er dus in die zin niet vrijwillig voor kiezen. Zij zijn niet voldoende autonoom en moeten volgens de zacht paternalistische visie tegen zichzelf in bescherming worden genomen. Maar niet iedereen die af en toe alcohol drinkt is verslaafd. De meeste mensen kiezen er vrijwillig voor om af en toe een glaasje wijn te drinken.
Aangezien het gaat om ontmoediging en niet om een algeheel verbod op alcohol, is de mate van paternalistische interventie niet heel groot. Dit voorbeeld maakt echter duidelijk dat de grens tussen hard en zacht paternalisme soms heel moeilijk te bepalen is. De staat moet altijd met hele goede argumenten komen om paternalistisch ingrijpen te verdedigen.

Hoofdstuk 3. In hoeverre staat het schadebeginsel paternalisme toe?

3.1 Het anti-paternalisme principe

In eerste instantie lijkt het dat het schadebeginsel van John Stuart Mill geen ruimte overlaat voor paternalisme. In On Liberty volgt op het schadebeginsel, zoals beschreven in paragraaf 1.1, het anti-paternalisme principe dat als volgt luidt: “His own good, either physical or moral, is not a sufficient warrant. He cannot rightfully be compelled to do or forbear because it will be better for him to do so, because it will make him happier, because, in the opinion of others, to do so would be wise, or even right. These are good reasons for remonstrating with him, or reasoning with him, or persuading him, or entreating him, but not for compelling him, or visiting him with any evil in case he do otherwise.”[10] Er zijn goede redenen om met iemand in conclaaf te gaan ten gunste van zijn of haar eigen bestwil, en we mogen proberen deze persoon te overtuigen om anders te handelen, maar we mogen hem of haar nooit verplichten. Dit principe lijkt weinig ruimte voor speculatie over te laten, toch maakt Mill een aantal uitzonderingen.

3.2 Uitzonderingen

Volgens het schadebeginsel mag de staat alleen ingrijpen als er schade dreigt te ontstaan aan anderen. Toch heeft de staat volgens Mill ook nog een aantal positieve plichten. De staat moet zorgen dat er publieke goederen beschikbaar zijn, zoals educatie en sociale welvaart.
Ook maakt hij twee uitzonderingen voor het anti-paternalisme principe. Dit geldt niet voor kinderen, zij zijn namelijk nog niet in staat om bewuste keuzes te maken en moeten soms beschermd worden tegen zichzelf. Daarnaast geldt het niet voor ‘backward societies’, dit zijn volgens Mill barbaarse of onderontwikkelde samenlevingen. Deze samenlevingen zijn onvoldoende ontwikkeld om zelf de juiste keuzes te maken en daarom moeten wij hen daarbij helpen.


3.3 Mill en paternalisme

Voor Mill is hard paternalisme onaanvaardbaar. Hard paternalisme voorkomt namelijk geen schade aan anderen en bevordert alleen het eigenbelang van de persoon in kwestie. Toch maakt Mill uitzonderingen op zijn anti-paternalistische denken. Door te pleiten voor positieve plichten en ingrijpen bij kinderen en ‘backward societies’, verlaat Mill het negatieve vrijheidsideaal en blijkt dat hij openstaat voor positieve vrijheid. Hoewel negatieve vrijheid de leidraad is voor Mill, mag er soms toch ingegrepen worden om het eigenbelang van iemand te bevorderen. Bij de uitzonderingen die hij noemt is sprake van een gebrek aan autonome capaciteiten om zelf de juiste keuzes te maken, dus Mill pleit eigenlijk voor zacht paternalisme.

Volgens de criteria van Mill zal de Nederlandse regering de euthanasiewet moeten aanpassen. De voorwaarden vrijwillig en weloverwogen zijn afdoende om een verzoek tot euthanasie in te willigen. Ook de accijnzen op alcohol zullen worden afgeschaft en het dragen van een autogordel zal niet langer verplicht zijn. Paternalisme is alleen toegestaan als het aantoonbaar is dat een persoon, al dan niet tijdelijk, niet in staat is om zelf een keuze te maken. De staat zal dus wel de alcoholist die onder invloed van alcohol zelfmoord wil plegen tegen zichzelf in bescherming moeten nemen.

Conclusie

In dit essay heb ik aan de hand van recente voorbeelden en relevante filosofische theorieën, laten zien wat de relatie is tussen het schadebeginsel van John Stuart Mill en paternalisme. Deze voorbeelden en theorieën leiden naar een antwoord op de reeds in de inleiding geformuleerde centrale vraag:

In hoeverre staat het schadebeginsel van Mill paternalistische interventie van de staat toe?

Om deze vraag te beantwoorden heb ik in hoofdstuk 1 uitgelegd wat het schadebeginsel precies is, namelijk dat de staat alleen mag ingrijpen in het leven van een individu als dat individu een ander dreigt te schaden. Daarbij kwam ik tot de conclusie dat het begrip schade nogal lastig te definiëren is. Uiteindelijk heb ik de oplossing van Rutger Claassen om schade als ‘schade aan autonomie’ te definiëren overgenomen, omdat deze definitie het minste ruimte overlaat voor verschillende interpretaties. In het tweede hoofdstuk heb ik het begrip paternalisme verder toegelicht. Belangrijk daarbij is het onderscheid tussen hard en zacht paternalisme. Hard paternalisme stelt dat de staat ook mag ingrijpen bij een vrijwillige en weloverwogen keuze. Zacht paternalisme daarentegen stelt dat de staat alleen mag ingrijpen als er geen sprake is van vrijwilligheid en weloverwogenheid. Ten slotte heb ik in het derde hoofdstuk laten zien dat het schadebeginsel, ondanks de bezwaren die Mill heeft tegen paternalisme, wel degelijk zacht paternalisme toestaat. Wel zal de staat altijd hele goede argumenten moeten hebben om paternalisme te rechtvaardigen.

Mijn eindconclusie luidt als volgt:

Het schadebeginsel van Mill staat enerzijds geen hard-paternalistische interventie van de staat toe, maar anderzijds wel zacht-paternalistische interventie.

 

Literatuur

Arneson, Richard (1998). Paternalism. In E. Craig (Ed.), Routledge Encyclopedia of Philosophy. London: Routledge. Retrieved   January 25, 2013, from http://www.rep.routledge.com/article/L069SECT

Berlin, Isaiah (1969). Two Concepts of Liberty. Oxford: Oxford University Press.

Claassen, Rutger (2011). Het huis van de vrijheid: Een politieke filosofie van vandaag. Amsterdam: Ambo

Dworkin, Gerald (1983). Paternalism. Minneapolis: University of Minnesota Press.

Feinberg, Joel (1986). Harm to self. Oxford: Oxford University Press.

Mill, John Stuart (1859). On Liberty. Oxford: Oxford University Press.

Wijnberg, Rob (2011). Nietzsche & Kant lezen de krant: Denkers van vroeger over dilemma’s van nu. Amsterdam: De bezige bij


[1] Mill 1859: 386

[2] Berlin 1969: 403-406

[3] Wijnberg 2011: 243

[4] Claassen 2011: 30

[5] Claassen 2011: 31

[6] Arneson 1998

[7] Dworkin 1972: 80

[8] Arneson 1998

[9] Arneson 1998

[10] Mill 1859: 386