Archief voor juli, 2014

Waarschuwing: Dit artikel is lichtelijk cynisch en gechargeerd geschreven en kan als beledigend worden opgevat.

De titel suggereert dat ik u ga uitleggen waarom ‘we’ dikke mensen zo gezellig vinden en drugsgebruikers toch vooral als gevaarlijke idioten zien. Ik zal u uit de droom helpen, dat ga ik niet doen. Dat valt namelijk niet uit te leggen, althans niet met goede argumenten. De enige reden daarvoor is maatschappelijke acceptatie én het gebrek daaraan.

Wereldwijd sterven meer mensen aan de gevolgen van overgewicht dan aan de gevolgen van ondervoeding (Bron: Wereldbank). In Nederland heeft ruim 40% van de mensen overgewicht en zijn welvaartsziekten doodsoorzaak nummer één. Schokkende cijfers, vindt u niet? Juist het feit dat er zo schokkend veel dikke mensen zijn, maakt het maatschappelijk geaccepteerd. Bijna de helft van de Nederlanders is te dik, dus we vinden het ‘normaal’. En wat willen we graag ‘normaal’ zijn met z’n allen. Uiteraard zullen er ook mensen zijn die buiten hun schuld om last hebben van overgewicht, maar dat is een kleine minderheid. En met buiten hun schuld, bedoel ik niet dat u zich kunt verschuilen achter uw sociale milieu. Uiteraard speelt dit een rol, maar in Nederland hebben we bijna allemaal de kans om vrij gezond te leven, pak die kans dan ook. Ik heb goed nieuws voor u: een kilo wortels kost bij de Appie slechts één euro, en dat is bij mijn weten goedkoper dan een Big Mac. Waarom dan toch steeds weer voor die Big Mac kiezen?

De essentie van genotsmiddelen is dat u een stukje van uw gezondheid inlevert in ruil voor genot. We weten allemaal dat drugs, en dan heb ik het met name over de maatschappelijk geaccepteerde drug alcohol, slecht zijn voor de gezondheid. Toch maken we de bewuste keuze om ervan te snoepen, omdat we het genot belangrijker achten dan de schade aan de gezondheid. Deze bewuste keuze staat of valt bij maat houden en houdt op waar een verslaving begint. De vage grens ligt ergens tussen gebruik en misbruik. Maar welk genot levert een Big Mac u, dat opweegt tegen de gevolgen? En ik weet ook wel dat één Big Mac niet zoveel kwaad kan, maar we hebben het hier over een enorme hoeveelheid mensen die geen maat kan houden. Een kleine zeven miljoen Nederlanders is verslaafd aan het overmatig consumeren van voedsel en is dus geen gebruiker maar een misbruiker. Ter vergelijking: een kleine twee miljoen Nederlanders maakt misbruik van drugs en ruim 90% hiervan komt op rekening van maatschappelijk geaccepteerde drugs als alcohol, tabak en slaapmiddelen (Bron: Jellinek). Voedselmisbruik is dus een veel groter probleem dan drugsmisbruik.

Aangezien we in onze huidige consumptiemaatschappij alles willen uitdrukken in nut, en dan met name economisch nut, zal ik daarin meegaan. Het is de bedoeling dat u dit artikel consumeert, namelijk. Welk doel dient voedselmisbruik? Ik kom niet veel verder dan een impuls aan de sport sumoworstelen. Toch hebben velen meer sympathie voor dikke mensen dan voor drugsgebruikers. Waarom? Omdat drugsgebruikers zich in zekere mate terugtrekken uit de ‘realiteit’, ze voldoen niet meer aan het maatschappelijk geaccepteerde beeld van ‘normaal’. Juist dat abnormale, geestverruimende, leidt vaak tot meer creativiteit en betere prestaties. Vraag maar aan de gemiddelde wereldleider (John F. Kennedy), artiest (Bob Marley), wielrenner (Lance Armstrong) of bergbeklimmer (Mozes http://www.nu.nl/wetenschap/1463108/mozes-aan-geestverruimende-middelen.html). Excuses aan de feministen onder u, er zijn vast ook bekende drugsgebruikende dames.

Drugsgebruik levert dus met name veel genot en creativiteit op, voedselmisbruik daarentegen vooral veel doden en een vervuild straatbeeld. We hoeven heus niet allemaal een wasbordje en een strak kontje te hebben, dat zou ons nog meer tot eenheidsworsten maken, maar hou alstublieft een klein beetje rekening met uzelf en uw medemens. Nogmaals wil ik benadrukken dat dit niet geldt voor alle dikke mensen, ook niet voor alle drugsgebruikers overigens. Toch is de moraal van dit verhaal: drugsgebruikers zijn gezellig en dikke mensen idioot.

Jaap van Ark

 

Advertenties

Inleiding

Het populisme is de laatste jaren sterk in opkomst in Westerse democratieën. Partijen als Front National en UKIP hebben tijdens de Europese parlementsverkiezingen eclatante overwinningen behaald. In Nederland is, met de opkomst van Pim Fortuyn en heden ten dage Geert Wilders, het populisme ook aan een opmars bezig. Onder academici lijkt geen duidelijke consensus over de gevolgen van deze ontwikkeling. Sommigen zien het populisme als inherent aan de democratie, anderen juist als een bedreiging voor de democratie. Essentieel in deze discussie is welke vorm van democratie men voor ogen heeft. De vorm van democratie wordt met name bepaald door de verhouding tussen democratie en rechtsstaat. In dit paper analyseer ik de rol die de opkomst van het populisme speelt in die verhouding. De centrale vraag luidt dan ook als volgt: Welke invloed heeft de opkomst van het populisme op  de verhouding tussen democratie en rechtsstaat in Nederland?
Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst helder krijgen wat precies wordt bedoeld met populisme. Vervolgens zal ik conceptualiseren wat de verhouding tussen democratie en rechtsstaat precies is en hoe deze idealiter zou moeten zijn. In de analyse zal ik kijken of er daadwerkelijk sprake is van populisme en zo ja, welke omvang dit populisme heeft. Aan de hand daarvan zal ik de invloed die het populisme heeft op de verhouding tussen democratie en rechtsstaat analyseren.

 

Theoretisch kader

Populisme
Het begrip populisme is populair in de hedendaagse literatuur. Toch geven de verschillende definities aan dat het kennelijk onmogelijk is om tot een eenduidige en expliciete definitie te komen. Het gaat hier om een wezenlijk omstreden begrip, dat wil zeggen dat de betekenis door meerdere relevante en soms normatieve aspecten bepaald wordt. Volgens Canovan (1999, p. 3) is populisme “an appeal to ‘the people’ against both the established structure of power and the dominant ideas and values of society”, Mudde (2004, p.  543) omschrijft het als “an ideology that considers society to be ultimately separated into two homogeneous and antagonistic groups, ‘the pure people’ versus ‘the corrupt elite’, and which argues that politics should be an expression of the volonté générale (general will) of the people”. Albertazzi en McDonnell (2008, p. 3) ten slotte, hebben het over “an ideology which pits a virtuous and homogeneous people against a set of elites and dangerous ‘others’ who are together depicted as depriving (or attempting to deprive) the sovereign people of their rights, values, prosperity, identity, and voice”. Deze drie definities hebben gemeen dat ze populisme zien als een stroming die ‘het volk’ afzet tegen ‘de elite’. Albertazzi en McDonnell voegen hier nog de groep ‘de anderen’ aan toe. Door het toevoegen van ‘de anderen’, waarmee immigranten worden bedoeld, wordt duidelijk over welke vorm van populisme het hier gaat, namelijk xenofobisch populisme. Deze vorm van populisme richt zich vooral op immigratie, criminaliteit en corruptie (Mudde en Kaltwasser, 2013). Met name dit xenofobisch populisme is de laatste jaren in opkomst in West-Europa, daarom wordt in het vervolg van dit paper vooral uitgegaan van de definitie van Albertazzi en McDonell. Er is sprake van een antagonistische relatie tussen ‘het volk’, ‘de elite’ en ‘de anderen’. De populisten stellen dat zij opkomen voor de belangen van ‘het volk’ en zijn daarmee automatisch tegen ‘de elite’ en de ‘anderen’. Zij suggereren dat er een volonté générale bestaat, oftewel een algemene volkswil. Er wordt een wij/zij tegenstelling gecreëerd tussen ‘het volk’ enerzijds en ‘de elite’ en ‘de anderen’ anderzijds (De Lange en Rooduijn, 2011).

 

Democratie en rechtsstaat
“Regering van het volk, door het volk, voor het volk”, zo definieerde Abraham Lincoln democratie ooit. Als we van deze definitie uitgaan is populisme misschien wel de vorm van politiek die directe democratie het meest benadert. West-Europa kent echter geen directe democratie, maar een liberale representatieve democratie. Een directe democratie is praktisch niet haalbaar, vandaar een representatieve democratie, maar waar het hier om gaat is het predicaat liberaal.
In een liberale democratie speelt de rechtsstaat een belangrijke rol. Thomassen omschrijft het als volgt: “liberal democracy, of de democratische rechtsstaat zoals wij liever zeggen, wordt gekenmerkt door een precaire balans tussen de beginselen van de rechtsstaat enerzijds en die van de democratie, maar dan begrepen in zijn beperkte betekenis van regering door het volk, anderzijds” (2011, p. 5). In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid ingeperkt door wetten, dit idee staat in nauw verband met grondrechten en mensenrechten. Ook de overheid moet zich dus houden aan de geldende wetten, dit om machtsmisbruik te voorkomen. De staat mag de rechten en vrijheden van burgers niet zomaar beperken of afpakken. De drie kenmerken die aan de rechtsstaat worden toegeschreven zijn: 1. de heerschappij van de wet, 2. de scheiding der machten, waaronder de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en 3. de waarborging van de klassieke grondrechten (Wilders tast fundament rechtsstaat wel aan, 2010). Het belangrijkste doel van de rechtsstaat is het beschermen van individuen en minderheden tegen de macht van de meerderheid.
Aangezien het populisme uitgaat van een algemene volkswil is er in het populisme weinig ruimte voor  minderheden. De algemene volkswil is immers de wil van de meerderheid en deze is per definitie juist. Volgens Kornhauser (1959) spreken we van een liberale democratie als in een land zowel de democratie als de rechtsstaat sterk zijn ontwikkeld. Als de democratie sterk is ontwikkeld en de rechtsstaat zwak, is er sprake van een populistische democratie. Een sterke rechtsstaat en een zwakke democratie leidt tot een aristocratie. Bij een zwakke ontwikkeling van beide ten slotte, spreekt Kornhauser van een autocratie. Essentieel in deze is dus de verhouding tussen democratie en rechtsstaat. Zoals in de typologie van Kornhauser te zien is, vormt populisme geen bedreiging voor de democratie, maar wel voor de rechtsstaat. Dit komt met name doordat, zoals eerder vermeldt, populisten de wil van de minderheid als onjuist zien, terwijl de rechtsstaat juist als doel heeft deze minderheid te beschermen. Daarnaast is populisme vooral gebaseerd op directe democratie, de rechtsstaat met zijn constituties is voor veel populisten vooral een sta-in-de-weg (Thomassen, 2011, p.6). In Nederland is sprake van een sterke rechtsstaat en een sterke democratie, de vraag is echter in hoeverre het opkomende populisme deze verhoudingen kan verstoren. Kan het populisme redelijkerwijs in staat worden geacht de rechtsstaat zo te verzwakken dat Nederland van een liberale democratie naar een populistische democratie gaat? Om deze vraag te kunnen beantwoorden is een analyse van het populisme in Nederland nodig.


Analyse

Populisme in Nederland
Als er in Nederland één partij als populistisch wordt geprofileerd is het wel de Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders. De vraag is of deze profilering juist is. Als de PVV een populistische partij is moet ze voldoen aan de eerder genoemde criteria. Er moet sprake zijn van een wij/zij tegenstelling tussen ‘het volk’ enerzijds en ‘de elite’ en ‘de anderen’ anderzijds. Wilders gebruikt niet vaak letterlijk de zinsnede ‘het volk’, volgens Lucardie is hij voor deze retoriek te veel liberaal gebleven (2007, p. 180). Wel gebruikt hij termen als ‘de gewone mensen’ en ‘de burgers’. Daarnaast haalt Wilders vaak Henk en Ingrid aan als afspiegeling van het gewone volk. In het voorwoord van het verkiezingsprogramma van de PVV 2010-2015 staat het volgende: De multiculturele nachtmerrie die ons wordt aangedaan kunnen we en willen we niet als een vaststaand feit aanvaarden. Het Nederlandse volk heeft niet om de massa-immigratie gevraagd en moet daar dan ook niet de prijs voor betalen. De schuld ligt niet bij Henk en Ingrid. De schuld ligt bij de linkse elites die denken dat de wereld er uit ziet als Woodstock (Verkiezingsprogramma PVV, 2010, p. 7). Dit voorwoord is geschreven door de voorzitter van de PVV, genaamd Geert Wilders. Hij heeft het over ‘het Nederlandse volk’, ‘massa-immigratie’ en ‘de linkse elites’. Aan alle criteria van xenofobisch populisme wordt voldaan. De vraag of de PVV een populistische partij is kan volgens eerder genoemde definities dus volmondig met ja worden beantwoord.
Een andere partij die in mindere mate als populistisch wordt geprofileerd is de Socialistische Partij (SP). De SP voldoet in zekere zin wel aan het criterium van de tegenstelling tussen ‘het volk’ en ‘de elite’, maar zet zich minder af tegen ‘de anderen’. Hoewel de partij kritisch is ten opzichte van verdergaande Europese integratie, wordt het economisch neoliberalisme als voornaamste vijand afgeschilderd. Er is hier dus geen sprake van xenofobisch populisme zoals eerder gedefinieerd, maar meer van sociaal populisme. Daarnaast maakt de SP volgens De Lange en Rooduijn (2011) steeds minder gebruik van een anti-establishment discours. Het populisme in Nederland moet dus vooral gezocht worden bij de PVV.

 

De omvang van het populisme in Nederland
Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van populisme in Nederland. De vraag is echter of het populisme genoeg slagkracht heeft om een serieuze bedreiging te vormen voor de rechtsstaat. Hoeveel aanhang heeft de PVV en blijft het populisme beperkt tot deze partij of is er sprake van een populistische tijdgeest? De eerste vraag is vrij makkelijk te beantwoorden door de recente peilingen te raadplegen. In deze peilingen krijgt de PVV 22 van de 150 zetels toebedeeld, dat is 14,7 procent van het geheel. Momenteel zegt 14,7 procent van de Nederlandse kiesgerechtigden dus haar stem te geven aan een populistische partij. Het aantal PVV- stemmers is de laatste jaren vrij stabiel, bij de Tweede Kamer verkiezingen van 2010 kreeg de PVV 15,5 procent van de stemmen (‘Databank Verkiezingsuitslagen’, z.j.). Er is dus sprake van een lichte afname en zeker geen explosieve groei. Uit deze gegevens valt te concluderen dat een vrij klein gedeelte van de Nederlandse bevolking op een xenofobisch populistische partij stemt en dat het niet aannemelijk is dat dit in de komende jaren explosief zal toenemen.
Dan naar de tweede vraag: blijft het populisme beperkt tot de PVV of is er sprake van een populistische tijdgeest? Volgens Mudde (2004, p. 542) is er sprake van een populistische ‘Zeitgeist’: “today populist discourse has become mainstream in the politics of western democracies”. Deze stelling wordt echter enkel onderbouwd met enkele voorbeelden uit Groot-Brittannië. Een nogal mager bewijs voor een gedurfde stelling. De Lange en Rooduijn (2011) stellen dan ook dat het te kort door de bocht is om te spreken van een populistische tijdgeest. Uiteraard gaat het electorale succes van de PVV ten koste van de gevestigde partijen en dienen deze partijen daarop te reageren. Dit zouden ze kunnen doen door zelf populistisch te worden, maar dit gebeurt nauwelijks. Volgens de Lange en Rooduijn (2011) spreken de gevestigde partijen de kiezer wel directer aan, maar zetten zij zich niet af tegen het establishment. De aanhang van (rechts) populistische partijen groeit, maar dit heeft niet tot gevolg dat de gevestigde partijen daarmee het populisme overnemen. Uit deze gegevens valt hooguit de conclusie te trekken dat de retoriek van de gevestigde partijen populairder is geworden, maar er lijkt geen sprake te zijn van een populistische ‘Zeitgeist’.

 

De invloed van het populisme
Zoals eerder vermeld is er sprake van een spanningsveld tussen het populistische gedachtegoed enerzijds en de rechtstatelijke  principes die ten grondslag liggen aan de liberale democratie anderzijds. Deze spanning hoeft geen probleem te vormen als het populisme beperkt blijft tot kleine groeperingen die weinig invloed uitoefenen (Mény en Surel, 2002, p. 19). Eerder zijn al de conclusies getrokken dat de PVV de laatste jaren nauwelijks groeit en dat er geen sprake lijkt te zijn van een populistische ‘Zeitgeist’. Nu rijst de vraag of de opvattingen van de PVV daadwerkelijk botsen met de fundamenten van de rechtsstaat en in hoeverre deze opvattingen de rechtsstaat kunnen aantasten. Dit zullen we bekijken aan de hand van twee casussen. Ten eerste de uitspraak van Geert Wilders aangaande minder Marokkanen.
Tijdens een bijeenkomst voor de gemeenteraadsverkiezingen begin 2014 kwam hij in opspraak door zijn ‘minder-Marokkanen-uitspraak’ (‘Wilders laat publiek scanderen: ‘Wij willen minder Marokkanen’’, 2014). Wilders vroeg aan zijn aanhang: “Willen jullie meer, of minder Marokkanen?”. Waarop de PVV’ers in de zaal minder, minder, minder scandeerden. Deze uitspraak is een schoolvoorbeeld van xenofobisch populisme dat met de grondbeginselen van de rechtsstaat tart. Een bepaald gedeelte van ‘het volk’ verzoekt ‘de anderen’ vriendelijk te vertrekken uit ‘hun’ land. De minderheid, Marokkanen, wordt in die zin dus bedreigd. Wilders weet echter ook wel dat het onmogelijk is om een bepaalde bevolkingsgroep zomaar het land uit te zetten, de rechtsstaat voorkomt dat immers. Later nuanceerde hij zijn uitspraak dan ook door te zeggen dat hij op criminele Marokkanen doelde. Vanuit heel Nederland werd verontwaardigd gereageerd op de uitspraken van Wilders. Met name vanuit de politiek werd meteen afstand genomen, geen van de andere partijen toonde ook maar enig begrip voor de uitspraken. Onder de bevolking waren de meningen minder eensgezind. Uit een peiling van Maurice de Hond bleek dat 44 procent van de Nederlanders het eigenlijk wel met Wilders eens was (‘Minder Marokkanen leeft veel minder onder jongeren’, 2014). Anderen besloten massaal aangifte te doen tegen Wilders, wat weer een discussie deed oplaaien over de grenzen aan het in de rechtsstaat verankerde recht op vrijheid van meningsuiting. Dit geeft aan hoe precair de situatie van de rechtsstaat is. Enerzijds dient de rechtsstaat op te komen voor minderheden, anderzijds dient ze op te komen voor het vrije woord.  De massale afkeur vanuit de gevestigde politieke partijen op de uitspraak van Wilders geeft aan dat er in de politiek weinig ruimte is voor xenofobisch populisme. Het feit dat er nog geen massale uittocht van Marokkaanse Nederlanders plaatsvindt geeft aan dat het vooral bij controversiële uitspraken blijft. Wilders ziet zichzelf juist als een voorvechter van de vrijheid van meningsuiting, één van de belangrijkste grondrechten van de rechtsstaat. Deze kwestie laat zien wat het belang is van een degelijke rechtsstaat, maar ook dat bepaalde in de rechtsstaat vastgelegde grondrechten moeilijk met elkaar te rijmen zijn. Enerzijds is Wilders een tegenstander van de bescherming van minderheden die de rechtsstaat voor ogen heeft, anderzijds is hij een voorvechter van de vrijheid van meningsuiting.
De tweede casus behandelt de houding van de PVV ten opzichte van de onafhankelijke rechterlijke macht. In het verkiezingsprogramma van de PVV 2010-2015 valt het volgende te lezen: Niet alleen politici moeten gekozen worden, maar ook de rechters en de officieren van justitie. De beste manier om een eind te maken aan de wereldvreemdheid van rechters is niet alleen het invoeren van minimumstraffen, maar ook de democratisering van de rechterlijke macht. Reken maar dat hun straffen dan een stuk meer in lijn zullen zijn met hoe de burgers er over denken (Verkiezingsprogramma PVV, 2010, p. 17). Hieruit valt duidelijk op te maken dat de PVV een einde wil maken aan de scheiding tussen de wetgevende en de rechterlijke macht. Democratisering van de rechterlijke macht betekent dat de meerderheid bepaalt hoe er gestraft moet worden. De PVV is dus tegen de in de rechtsstaat verankerde scheiding der machten en de daaruit volgende onafhankelijke rechtspraak. Ook wordt hier wederom gesuggereerd dat er sprake is van een volonté générale. De opvattingen van de PVV aangaande de rechterlijke macht worden echter door geen enkele andere politieke partij gedeeld.
De populistische retoriek van Wilders botst dus vooral op het gebied van de scheiding der machten en de onafhankelijke rechtspraak met de grondbeginselen van de rechtsstaat. Wat betreft de klassieke grondrechten legt de partij de accenten op andere aspecten van de rechtsstaat, namelijk alleen op die aspecten die haar het beste uitkomen. De invloed van de PVV is echter te klein om daadwerkelijk een bedreiging voor de rechtsstaat te vormen. Er vinden onder invloed van Wilders wel degelijk discussies omtrent de rechtsstaat plaats, maar deze discussies vinden vooral plaats binnen het domein van de rechtsstaat. De precaire verhouding tussen democratie en rechtsstaat lijkt dus niet zozeer in het geding, hoogstens hoe invulling te geven aan de rechtsstaat in dynamische tijden.

 

Conclusie


Het blijkt dat er in Nederland wel degelijk sprake is van xenofobisch populisme. Dit populisme wordt echter enkel vertegenwoordigd door de PVV en trekt om en nabij 15 procent van het totale electoraat. De PVV is de laatste jaren nauwelijks gegroeid en het lijkt ook niet aannemelijk dat de partij de komende jaren explosief zal groeien. Het populisme blijft in Nederland enkel beperkt tot één partij, er is dus geen reden om aan te nemen dat er sprake is van een populistische ‘Zeitgeist’ in Nederland. Uit de analyse blijkt dat bepaalde opvattingen van de PVV rechtstreeks tegen de beginselen van de rechtsstaat ingaan. Wilders pleit in zijn verkiezingsprogramma voor het afschaffen van de scheiding tussen de wetgevende en de rechterlijke macht en daarmee keert hij zich tegen de onafhankelijke rechtspraak. Daarnaast gaat hij met zijn retoriek in tegen de kern van de rechtsstaat, namelijk de bescherming van minderheden. Uit de praktijk blijkt echter dat dit bij retoriek blijft. De invloed die de populisten hebben is te klein om een serieuze bedreiging te vormen voor de rechtsstaat.     Daarnaast ziet Wilders zichzelf juist als een voorvechter van de in de rechtsstaat vastgelegde vrijheid van meningsuiting. De discussie die het opkomende populisme losmaakt is dus vooral gebaseerd op welke aspecten van de rechtsstaat moeten prevaleren.
Volgens rechtsfilosoof Paul Cliteur is het echter te veel eer om het ontstaan van deze discussie volledig aan het populisme toe te schrijven, ook de multiculturele samenleving en de Europese wetgevingen spelen hierin een belangrijke rol. Onze rechtsstaat is de laatste decennia onder druk komen te staan door de multiculturele samenleving en de Europese wetgeving, zo stelt hij. Ironisch genoeg zijn dit juist ‘de anderen’ waar populist Wilders voor waarschuwt. Dit zou een interessante invalshoek kunnen zijn voor een vervolgonderzoek.
De conclusie van dit literatuuronderzoek is dat het populisme weinig invloed lijkt te hebben op de verhouding tussen democratie en rechtsstaat in Nederland. Hoogstens draagt het opkomende populisme bij aan een hernieuwde discussie over de staat van de rechtsstaat.

 

 

Literatuur

Boeken en artikelen

–          Albertazzi, D. en D. McDonnell (2008) ‘Introduction: The sceptre and the spectre’ in D. Albertazzi en D. McDonnell (red.) Twenty-First Century Populism. The Spectre of Western European Democracy. Londen: Palgrave, blz. 1-11.

–          Canovan, M. (1999) Trust the People! Populism and the two faces of Democracy. Political Studies 47 (1): 2-16.

–          Kornhauser, W. (1959) The Politics of Mass Society. Glencoe: The Free Press

–          Lange, S.L. de en Matthijs Rooduijn (2011) Een populistische tijdgeest in Nederland? Een inhoudsanalyse van de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen. In: Andeweg, R. en Thomassen, J. (red.) (2011) Democratie doorgelicht. Het functioneren van de Nederlandse democratie. Leiden: Leiden University Press (pp. 319-334).

–          Lucardie, P. (2007) Rechts-extremisme, populisme  of democratisch patriottisme? Opmerkingen over de politieke plaatsbepaling van de Partij voor de Vrijheid en Trots op Nederland.

–          Mény, Y. en Y. Surel (2002) ‘The constitutive ambiguity of populism’ in Y. Mény en Y. Surel (red.) Democracies and the Populist Challenge. Londen: Palgrave, blz. 1-21.

–          Mudde, C. en Kaltwasser C.R. (2013) Populism

–          Mudde, C. (2004) The Populist Zeitgeist. Government & Opposition 39(3) : 541-563.

–          Thomassen, J. (2011) Populisme: Verrijking of bedreiging van de democratie?

–          Verkiezingsprogramma PVV (2010) De agenda van hoop en optimisme. Een tijd om te kiezen: PVV 2010-2015

Websites

–          Databank Verkiezingsuitslagen (z.j.). Opgevraagd op 19 juni 2014 van  http://www.verkiezingsuitslagen.nl/Na1918/Verkiezingsuitslagen.aspx?VerkiezingsTypeId=1

–          Minder Marokkanen leeft veel minder onder jongeren (2014) Opgevraagd op 19 juni 2014 van http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/3647450/2014/05/03/Minder-Marokkanen-leeft-veel-minder-onder-jongeren.dhtml

–          Wilders laat publiek scanderen: ‘Wij willen minder Marokkanen’ (2014). Opgevraagd op 19 juni van http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2784/Verkiezingen/article/detail/3618750/2014/03/20/Wilders-laat-publiek-scanderen-Wij-willen-minder-Marokkanen.dhtml

–          Wilders tast fundament rechtsstaat wel aan (2010). Opgevraagd op 25 juni van
http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/archief/article/detail/1020477/2010/08/14/Wilders-tast-fundament-rechtsstaat-wel-aan.dhtml

 


Studeren moet weer elitair worden

Geplaatst: juli 11, 2014 in Politiek

Dit artikel verscheen eveneens in de zomer-editie van de StudentenKortingskrant en op http://www.sk2.nl 

Het merendeel van de studenten heeft tijdens de gemeenteraadsverkiezingen en de Europese verkiezingen weer braaf op D66 gestemd. Uiteraard beloont de partij haar jeugdige kiezers rijkelijk voor dit vertrouwen, de studiefinanciering zal namelijk worden afgeschaft. Zichzelf profileren als onderwijspartij en ondertussen doodleuk de drempel tot dat onderwijs verhogen, zo rolt D66. Voor jongeren die geen rijke pappie en mammie hebben wordt studeren haast onmogelijk gemaakt. Hallo, economische elite. Doei, opwaartse sociale mobiliteit. Of ligt het iets genuanceerder? 

De regeringspartijen VVD en PvdA hebben met de oppositiepartijen D66 en GroenLinks een akkoord bereikt over het invoeren van een sociaal leenstelsel. De basisbeurs, voor uitwonende studenten zo’n 280 euro, wordt met ingang van 1 september 2015 afgeschaft en vervangen door een sociaal leenstelsel. Vervolgens krijgt de student 35 jaar om de opgebouwde studieschuld naar draagkracht af te lossen. De aanvullende beurs voor studenten met minder draagkrachtige of weigerachtige ouders wordt verhoogd met maximaal 100 euro. De vraag is echter wat het criterium is voor ‘weigerachtig’ en hoe dit gecontroleerd gaat worden. Het geld wat de staat met deze maatregelen bespaart zal geïnvesteerd worden in de kwaliteit van het onderwijs. Echter is duidelijk dat de student er in de nieuwe situatie financieel gezien flink op achteruit gaat.

Als er één middel is om ongelijkheid op een legitieme manier te bestrijden dan is het wel via onderwijs. In een ideale wereld heeft iedereen gelijke kansen op onderwijs. Helaas is dat in de praktijk niet zo, want er zijn veel factoren die dit beïnvloeden. Iemand met hoogopgeleide ouders zal waarschijnlijk eerder gaan studeren dan iemand met laagopgeleide ouders, omdat het van hem of haar verwacht wordt. Daarnaast is het van belang of iemands vrienden ook gaan studeren. Ben je de vreemde eend in de bijt, of is studeren de normaalste zaak van de wereld? Kortom, het sociale milieu bepaalt mede of iemand gaat studeren of niet en dit wordt niet alleen bepaald door financiële middelen.
Geld speelt echter wel een essentiële rol. Zonder geld is het simpelweg onmogelijk om te gaan studeren. Als ouders niet kunnen of willen bijspringen, moet een student toch gauw een slordige duizend euro per maand ophoesten aan collegegeld, huur, eten en drinken, verzekeringen, kleding enz. Om rond te komen moet er dus flink gewerkt worden en vaak worden bijgeleend om ook nog tijd over te houden om te studeren. Dit was het geval in het oude stelsel en dit zal door de nieuwe maatregelen niet veranderen. Hooguit zal er meer geleend moeten worden, maar de voorwaarden worden dan ook een stuk aantrekkelijker. De rijkere ouders zullen iets meer bijdragen aan de opleiding van hun kroost en de studenten met minder rijke ouders worden daarvoor gecompenseerd. De ongelijkheid zal in die zin dus niet zozeer toe- of afnemen, hooguit zal de psychologische drempel iets hoger worden. Studenten met minder rijke ouders zien namelijk een enorme studieschuld tegemoet.

De ongelijke kansen op onderwijs worden dus vooral bepaald door de plek waar iemands wieg staat. We moeten echter niet overdrijven, in Nederland heeft iedereen de kans om te gaan studeren. Voor de één kost dit meer moeite dan voor de ander, maar we kunnen rijke ouders moeilijk verbieden om te investeren in hun zoon of dochter. Gelijke kansen creëren is onmogelijk, maar de mooiste doelpunten worden vaak gemaakt vanuit de moeilijkste posities. Des te meer moeite iemand moet doen om überhaupt te kunnen studeren, des te gemotiveerder diegene zal zijn. En dat is juist waar studeren om gaat, de intrinsieke motivatie om jezelf te ontwikkelen. Heerlijk ongegeneerd je kennis vermeerderen. Studeren is vooral een investering in jezelf en het is niet verkeerd dat studenten inzien dat dit kosten met zich meebrengt. Waarom zou een vrachtwagenchauffeur moeten bijdragen aan de studie van een rijkeluiszoontje, terwijl zijn ouders het prima zelf kunnen betalen? Uiteraard, studeren is ook een investering in de maatschappij en dat is juist waarom er gefocust moet worden op kwaliteit en niet op kwantiteit. Strengere toelatingseisen op de universiteiten. Ben je niet gemotiveerd? Prima, daar is de deur. De drempel en de lat mogen best wat hoger gelegd worden, op intellectueel gebied dan. Waarom zou de maatschappij investeren in studenten die hun talenten verkwanselen? Misschien is dat sociale leenstelsel geeneens zo’n heel slecht plan. Als het bespaarde geld op een goede manier wordt geherinvesteerd kan het juist de kwaliteitsinjectie betekenen die het hoger onderwijs nodig heeft. Studeren moet weer elitair worden. Niet enkel voor de economische elite, maar enkel voor de intellectuele en gemotiveerde elite.

Jaap van Ark

Botsing tussen de islam en het Westen

Geplaatst: juli 11, 2014 in Politiek

De wereld is een brandhaard. Syrië, Oekraïne, er lijkt maar geen einde te komen aan grote conflicten. Wat is de belangrijkste oorzaak van deze onrusten? Is de belangrijkste bron van conflict ideologisch, economisch of zijn er nog andere oorzaken? In dit essay beargumenteer ik in hoeverre er sprake is van een botsing der beschavingen in de Internationale Betrekkingen. Eerst werk ik de these van Samuel Huntington uit zoals hij dit beschrijft in zijn essay The Clash of Civilizations?. Vervolgens behandel ik de alternatieve these van Francis Fukuyama en de kritiek van Amartya Sen op het werk van Huntington. Ten slotte bespreek ik aan de hand van twee casussen in hoeverre de verklaringskracht van de ‘Clash of Civilizations’ de laatste jaren is toe- of afgenomen.

The Clash of Civilizations
In 1993 kwam de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington met een theorie over botsende beschavingen. Dit werkte hij uit in een spraakmakend artikel in het blad Foreign Affairs. Dit artikel kan gezien worden als een reactie op The End of History and the Last Man van Francis Fukuyama, die ik verderop in dit essay zal behandelen. Huntington stelt dat de bron van conflict na de Koude Oorlog niet meer primair ideologisch of economisch zal zijn, maar vooral cultureel. “It is my hypothesis that the fundamental source of conflict in this world will not be primarily ideological or primarily economic. The great divisions among humankind and the dominating source of conflict will be cultural. Nation states will remain the most powerful actors in world affairs, but the principal conflict of global politics will occur between nations and groups of  different civilizations.”(Huntington, 1993, p.22).
Vroeger ontstonden conflicten vooral tussen keizers en koningen. In de periode van de Franse Revolutie vooral tussen naties en mensen. Als gevolg van de Russische Revolutie werden ideologieën de belangrijkste bron van conflict. Met het einde van de Koude Oorlog kwam er echter een einde aan deze ideologische conflicten. Huntington voorspelt dat beschavingen steeds belangrijker zullen worden in grote internationale conflicten. Hij omschrijft een beschaving als volgt: “A civilization is thus the highest cultural grouping of people and the broadest level of cultural identity people have short of that which distinguishes humans from other species.” (Huntington, 1993, p.24).
Huntington onderscheidt de volgende beschavingen: westers, confuciaans, Japans, islamitisch, hindoestaans, slavisch-orthodox, Latijns-Amerikaans en Afrikaans. De wereldpolitiek zal gekenmerkt worden door conflicten tussen deze beschavingen. Ik zal me vooral focussen op de islamitische en westerse beschaving.

Islam en het Westen
Volgens Huntington is de rol van religie binnen een beschaving essentieel. Het Westen heeft christelijke wortels en deze botsen met de islamitische beschaving. Zowel het christendom als de islam claimt de enige ware religie te zijn, dus de kans dat dit problemen veroorzaakt is groot (Huntington, 1993).  Er zijn altijd al spanningen geweest tussen het westen en de islam en deze zullen alleen maar verder toenemen. Het Islamitisch fundamentalisme groeit en de belangen van het westen in de Perzische Golf zijn groot vanwege de aanwezige olie. Ook de explosieve bevolkingsgroei in de Arabische wereld leidt tot oplopende spanningen. De migratie vanuit Arabische landen naar West-Europa neemt toe en in veel Westerse landen wordt deze ontwikkeling als negatief beschouwd. Daarnaast heeft het westen de gewoonte om haar denkbeelden aan andere beschavingen op te dringen, terwijl hier in andere beschavingen geen behoefte aan is. “Western ideas of individualism, liberalism, constitutionalism, human rights, equality, liberty, the rule of law, democracy, free markets, the separation of church and state, often have little resonance in Islamic, Confucian, Japanese, Hindu, Buddhist, or Orthodox cultures.”(Huntington, 1993, p. 40).
Het westen gebruikt internationale instituties en militaire macht om haar eigen belangen te promoten. Al deze factoren zorgen ervoor dat de spanningen tussen de westerse en islamitische beschavingen steeds verder oplopen. Dit wordt versterkt doordat landen met dezelfde beschaving tijdens een conflict steun bij elkaar zoeken. Het zogenaamde kin-country syndroom vervangt de politieke ideologie en de traditionele machtsbalans (Huntington, 1993, p. 35). Huntington voorspelt in 1993 al dat er een grote confrontatie zal plaatsvinden tussen het Westen en de islam. Hij wordt dan ook gezien als de voorspeller van de aanslagen op 11 september 2001 en de reactie van het Westen daarop.

Alternatieve thesen en kritieken
Francis Fukuyama stelt in zijn artikel The End of History? dat met het einde van de Koude Oorlog het einde van de vooruitgang van de mens is bereikt. What we may be witnessing is not just the end of the Cold War, or the passing of a particular period of post-war history, but the end of history as such: that is, the end point of mankind’s ideological evolution and the universalization of Western liberal democracy as the final form of human government.”(Fukuyama, 1989, p.2). Het liberalisme heeft gewonnen van het communisme en er is dus een einde gekomen aan de ideologische evolutie van de mens. De westerse liberale democratie is de beste regeringsvorm en zal uiteindelijk door de hele wereld worden overgenomen. De internationale verhoudingen worden volgens Fukuyama vooral bepaald door ideologieën.  Grootschalige conflicten zullen dus in de toekomst niet meer voorkomen (Fukuyama, 1989). Met name door de aanslagen van 9-11 en de gevolgen die deze hebben gehad, heeft de these van Fukuyama veel verklaringskracht verloren. Toch is The end of History? wel degelijk relevant omdat het werk van Huntington als een reactie hierop gezien kan worden.
Volgens Amartya Sen klopt de analyse van Huntington niet. Zo stelt Sen dat mensen niet louter gezien kunnen worden als lid van een bepaalde beschaving. De identiteit van een mens bestaat uit veel meer zaken dan alleen cultuur en religie. Zo kan een moslim ook vader, arbeider enzovoort zijn. Volgens Sen is de analyse van Huntington veel te kortzichtig. Daarnaast kloppen de verschillende beschavingen die Huntington onderscheidt niet. Huntington plaatst India bijvoorbeeld onder de Hindoestaanse beschaving, terwijl daar ook heel veel moslims wonen. Mensen zijn vooral vrije individuen en kunnen veranderen (Sen, 2006).

Afghanistan en Irak
Zoals eerder vermeld wordt Huntington wel gezien als voorspeller van 9-11. Toen George W. Bush na 11 september de oorlog aan het terrorisme verklaarde stelde hij landen voor de keuze: “Either you are with us, or you are with the terrorists” (Bush, 2001). Een kleine maand na de aanslagen vielen de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië en Frankrijk het islamitische Afghanistan binnen. Het Afghaanse regime, de Taliban, werd ervan beschuldigd de terroristische groepering Al Qaida te ondersteunen. Daarnaast zou de hoofdverdachte van de aanslagen, Osama Bin Laden, zich in het land verschuilen. Onder de noemer War on Terror trok het Westen ten strijde tegen islamitische terroristen (Oorlog in Afghanistan, 2003). De Taliban werd vrij snel verslagen, Bin laden werd uiteindelijk in Pakistan gevonden en doodgeschoten, maar ruim twaalf jaar na de inval is Afghanistan nog steeds een brandhaard.
In maart 2003 volgde de invasie van Irak door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. De belangrijkste reden hiervoor was dat de Irakese dictator Saddam Hoessein in het bezit zou zijn van massavernietigingswapens. Dit werd gezien als een grote bedreiging voor het Westen. Ook zou het regime van Hoessein nauwe banden onderhouden met islamitische terreurorganisaties, waaronder Al Qaida. Saddam Hoessein werd van de troon gestoten, maar massavernietigingswapens werden nooit gevonden (Benedictus, 2013).
Uit deze voorbeelden blijkt duidelijk een botsing tussen het Westen, met name de VS, en islamitische regimes en terreurorganisaties. De religieus leider van Iran, Ayatollah Ali Khamenei riep op tot een heilige oorlog tegen het Westen. Naar aanleiding van de Eerste Golfoorlog zei Saddam Hoessein: “It is the West against Islam.”, waarop hij grote bijval kreeg in de islamitische wereld (Huntington, 1993, p.35). Uit de uitspraken van de hierboven genoemde leiders blijkt duidelijk dat er sprake is van het kin-country syndrome.

Conclusie
Mijns inziens is de theorie van de botsende beschavingen vrij sterk. Dit betekent niet dat deze theorie altijd en overal geldt, er zullen ook andere factoren een rol spelen bij conflicten. De these van Fukuyama vind ik veel minder overtuigend. Het is heel erg vanuit een westers perspectief geformuleerd. Voor het westen is de liberale democratie misschien de beste regeringsvorm en het ideaal, maar dat zegt niet dat dit ook voor andere beschavingen geldt. Huntington kiest hierin een beter uitgangspunt door te stellen dat het Westen juist terughoudend moet zijn in het opleggen van haar gedachtengoed aan anderen. Internationale verdragen en constituties zijn gebaseerd op westerse normen en waarden, maar de vraag is in hoeverre deze universeel zijn.
De kritiek van Sen is misschien terecht, maar dat betekent niet dat Huntingtons’ theorie de prullenbak in kan. Het klopt dat de identiteit van een mens uit meer factoren bestaat dan alleen culuur en religie, maar dat neemt niet weg dat cultuur en religie in grote mate de identiteit bepalen. Huntington stelt niet dat cultuur de enige factor is die conflict veroorzaakt, hij stelt enkel dat het de primaire factor is. “This article does not argue that civilization identities will replace all other identities, that nation states will disappear, that each civilization will become a single coherent political entity, that groups within a civilization will not conflict with and even fight each other.”(Huntington, 1993, p.48).
Je kunt inderdaad je vraagtekens zetten bij de beschavingen die Huntington onderscheidt, maar Huntington zegt ook dat mensen en beschavingen kunnen veranderen. Uit de gebeurtenissen na 11 september 2001 concludeer ik dat de verklaringskracht van de these van Huntington is toegenomen. Hoewel er niet bij elk recent conflict zo evident sprake is van een botsing der beschavingen, is er wel degelijk sprake van een botsing tussen de islam en het Westen.

 

Literatuur

Benedictus, J. (2013, 20 maart). Amerikaanse invasive in Irak 2013. Opgevraagd op 5 mei 2014 van http://www.isgeschiedenis.nl/nieuws/amerikaanse-invasie-in-irak-in-2003/

Bush, G.W. (2001, 20 september). Address to a Joint Session of Congress and the American People. Opgevraagd op 17 april 2014 van http://georgewbush-whitehouse.archives.gov/news/releases/2001/09/20010920-8.html

Fukuyama, F. (1989). The End of History?. National Interest.

Huntington, S. P. (1993). The Clash of Civilizations?. Foreign Affairs.

Oorlog in Afghanistan. (23 januari 2003). Opgevraagd op 5 mei 2014 van http://www.novatv.nl/page/detail/nieuws/71

Sen, A. (2006). What Clash of Civilizations? Why Religious Identity Isn’t Destiny. Slate, 29 maart.

Absolutisme versus Liberalisme

Geplaatst: juli 11, 2014 in Politiek

Waarom moeten wij de overheid gehoorzamen? Waar liggen de grenzen aan de macht van de staat? Dienen wij al onze rechten op te geven, of kunnen wij bepaalde rechten behouden? In dit essay bespreek ik het contractdenken van Thomas Hobbes en John Locke. Deze filosofen proberen met behulp van een sociaal contract de huidige politieke toestand te verklaren. Eerst geef ik een beschrijving van hun gedachtegoed, vervolgens bespreek ik de verschillen en overeenkomsten met betrekking tot het concept ‘politieke legitimiteit’ en ten slotte beargumenteer ik welke visie in mijn ogen overtuigender is.

Hobbes
Thomas Hobbes (1588-1678) leefde in een tijd waarin veel religieuze oorlogen plaatsvonden. Hij kwam uit een arm milieu, maar koos in de burgeroorlog de kant van koning Charles 1. In deze context van onrust en oorlog is het goed voor te stellen dat er in een maatschappij zonder een sterke centrale autoriteit een oorlog van allen tegen allen zou uitbreken (Christman, 2002, p.28). Hobbes verdedigt in zijn bekendste werk Leviathan de absolute macht van de vorst. Volgens Hobbes is de mens geprogrammeerd als overlevingsmachine. De mens wordt gedreven door een alles overheersende angst voor de dood en stelt alles in het werk om zijn of haar voortbestaan te vergemakkelijken. Daaruit volgt een natuurwet waarin de rede ons verbiedt te doen wat ons eigen leven bedreigt: “A law of nature, lex naturalis, is a precept, or general rule, found out by reason, by wich a man is forbidden to do that wich is destructive of his life.” (Hobbes, 1651, p. 100).
Hobbes neemt ons mee in een gedachte-experiment waarin er geen staat is, dit noemt hij de natuurtoestand. In deze natuurtoestand is iedereen gelijk en is het leven ‘solitary, poor, nasty, brutish and short’. Uit gelijkheid volgt wantrouwen en uit wantrouwen volgt een oorlog van allen tegen allen. Deze oorlog wordt veroorzaakt door wedijver, wantrouwen en trots (Hobbes, 1651, p. 97). Er gelden geen rechten en plichten en morele noties zijn betekenisloos. Om aan deze oorlog te ontsnappen dienen burgers middels een contract hun macht over te dragen aan een centrale autoriteit, de soeverein. Ze leveren als het ware hun vrijheid in, in ruil voor bescherming. Het contract is tussen burgers onderling. De soeverein staat hier boven en dient het enkel te handhaven. De staat heeft het geweldsmonopolie en kan burgers zo dwingen tot gehoorzaamheid. Het is dus voor iedereen het beste om de soeverein te gehoorzamen want zo wordt men niet in het voortbestaan bedreigd en ontloopt men straf. Volgens Hobbes is het rationeel dat burgers al hun rechten en vrijheden overdragen aan de staat omdat dit altijd het optimale resultaat zal opleveren. Als we dit niet doen zullen er altijd conflicten blijven bestaan. Alleen als de staat haar burgers in hun voortbestaan bedreigd mogen zij in opstand komen (White, 2012, p.248).

Locke
John Locke (1632-1704) was een jongere tijdgenoot van Hobbes. Hij gaat mee in het gedachte-experiment van de natuurtoestand maar verbindt hier andere conclusies aan dan zijn oudere tijdgenoot (Christman, p. 42). In tegenstelling tot Hobbes was Locke juist tegen de royalisten en de absolute monarchie. “To understand political power right, and derive it from it’s original, we must consider, what state are all men naturally in, and that is, a state of perfect freedom to order their actions, and dispose of their possessions and persons, as they think fit, within the bounds of the law of nature, without asking leave, or depending upon the will of any other man.” (Locke, 1689a, p. 1). Locke neemt concepten als de natuurtoestand en de natuurwet over van Hobbes, maar lijkt toch iets minder negatief tegen de natuurtoestand aan te kijken. Dit komt met name omdat er volgens hem wel degelijk sprake is van moreel besef in de natuurtoestand. Dit betekent dat burgers zelf kunnen bepalen wat goed en slecht is. De staat is er enkel om te handhaven, zij bepaalt niet wat goed en slecht is.
Volgens Locke hoeven burgers niet al hun vrijheden over te dragen aan de staat, of zoals hij het noemt ‘de magistraat’. Ze behoeven alleen de rechten en vrijheden af te staan die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de staat. Het recht op leven, vrijheid en eigendom behouden de burgers zelf en hier dient de staat zich niet mee te bemoeien. Deze rechten worden ook wel natuurrechten genoemd en zijn nog steeds enorm belangrijk in discussies over mensenrechten. Hij pleit voor een sterke scheiding tussen kerk en staat. De staat dient zich te beperken tot het bewaren en bevorderen van burgerlijke goederen. Als de rechten van andere mensen in het geding komen mag de staat straffen, want wetten hebben geen enkele zin zonder dreiging van straf (White, 2012, p.270). Locke maakt echter een duidelijk onderscheid tussen het uitwendige en het innerlijke. De staat moet zich niet met het innerlijke bemoeien omdat ze daar geen invloed op kan uitoefenen. “Geen straf ter wereld kan de ziel ook maar in het minst van zo’n overtuiging doordrenken. Om een gezindheid van de ziel te veranderen is een licht nodig dat door geen enkele lijfstraf bewerkstelligd kan worden.” (Locke, 1689b, p. 33). Toch spreekt Locke zich op dit punt wel enigszins tegen, hij staat namelijk intolerant tegenover intolerantie. Katholieken zijn volgens hem intolerant en atheïsten amoreel, zij verdienen dus geen tolerantie. De innerlijke vrijheid die burgers hebben brengt echter wel plichten met zich mee, dit noemt Locke de plichten van tolerantie. Het geweldsmonopolie ligt bij de staat en geen enkele private persoon mag geweld gebruiken, behalve als het gaat om zelfverdediging. Daarnaast mag niemand, behalve de staat, inbreuk doen op de burgerlijke goederen van anderen. Ten slotte moet niemand zich bemoeien met mensen die schade berokkenen aan zichzelf. Als zij anderen niet schaden, mogen zij hun gang gaan (Locke, 1689b).

Vergelijking
Beide contractdenkers nemen ons in een gedachte-experiment mee naar de natuurtoestand. Ook zijn beiden het eens dat er geen ordelijke maatschappij kan bestaan zonder een staat en dat er voor het functioneren van een staat bepaalde vrijheden moeten worden opgegeven. Hobbes gaat hierin echter veel verder dan Locke.
Volgens Hobbes moeten alle rechten en vrijheden worden overgedragen aan de staat. In de natuurtoestand is geen sprake van moreel besef, dat besef ligt volkomen bij de soeverein. De soeverein is almachtig en wij dienen hem dan ook in alles te gehoorzamen. Alleen als de soeverein ons in ons voortbestaan bedreigt mogen de burgers in opstand komen. Het probleem is echter dat de burgers hun oordeelsvermogen hebben afgestaan aan de soeverein, dus zij kunnen niet bepalen wanneer hun voortbestaan bedreigd wordt. De soeverein staat boven het contract en is nergens aan gebonden, dus er ligt een groot gevaar van machtsmisbruik op de loer.
Locke pleit voor gelimiteerde macht van de staat. In tegenstelling tot Hobbes is Locke voor een scheiding der machten, zodat de magistraat ook zelf aan het contract gebonden is. Als de uitvoerende en de wetgevende macht gescheiden zijn, kan de magistraat zich moeilijk onttrekken aan de wetten die hij zelf gemaakt heeft. Toch blijft dit onderscheid een beetje vaag. Door het garanderen van de natuurrechten: leven, vrijheid en eigendom, is Lockes’ contract veel liberaler dan dat van Hobbes. Burgers geven alleen die rechten en vrijheden op die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de staat. Het onderscheid tussen het uitwendige en het innerlijke stelt duidelijke grenzen aan de macht van de staat. Ook houden de burgers zelf het oordeelsvermogen om de staat te bekritiseren. Locke stelt dus wel grenzen aan de macht van de staat, maar het blijven vage en oprekbare grenzen. Het grootste verschil tussen het contractdenken van Hobbes en Locke is dat bij Hobbes de macht van de soeverein in principe ongelimiteerd is, terwijl Locke probeert de macht van de staat zo klein mogelijk te houden.

Mijn visie
De essentie van de theorie van Hobbes is dat de soeverein almachtig is. De soeverein bepaalt wat er gepreekt en onderwezen wordt. De legitimiteit van de macht van de soeverein vervalt enkel als hij ons bedreigt in ons voortbestaan. Zoals eerder opgemerkt destabiliseert dit het contract, want wij hebben ons oordeelsvermogen moeten afstaan en kunnen nooit beoordelen wanneer wij in ons voortbestaan bedreigd worden. Hobbes pleit dus eigenlijk voor ongelimiteerde macht van de soeverein. We kunnen talloze voorbeelden aanhalen van dictatoriale regimes waaruit blijkt dat het levensgevaarlijk is om het lot van de bevolking in handen van één machthebber te leggen. Daarnaast gaat Hobbes ervan uit dat de mens is geprogrammeerd als overlevingsmachine. Op deze assumptie is zijn hele theorie gebouwd. Maar is dat wel zo? Zouden wij een implantaat accepteren dat ons handelen en denken zou aansturen, omdat dat beter is voor ons voortbestaan (Hampton, 1988)? Ik denk het niet. Ik denk dat ik zonder een zekere mate van autonomie en vrijheid niet zou willen leven.
De theorie van Locke spreekt me veel meer aan. Hij pleit voor een minimale, liberale staat. De overheid is niet de oorsprong van het recht, maar slechts de uitvoerder. De soeverein staat niet boven het contract, maar is er zelf aan gebonden. Locke lijkt in te zien dat wij meer zijn dan enkel overlevingsmachines, daarom stelt hij grenzen aan de macht van de staat. De vraag is echter wel waar die grenzen liggen. Zonder belastingen kan een staat niet bestaan. Robert Nozick (1974) werkt dit verder uit en stelt dat een staat geen inkomstenbelasting mag heffen, omdat dit het eigendomsrecht aantast. Echter, wegenbelasting of btw is wel toegestaan omdat dit geen natuurrechten aantast. Ook het onderscheid tussen het uitwendige en het innerlijke spreekt me erg aan, al is hij hier niet consequent in. Mijns inziens kan en mag de staat nooit gedachten van mensen verbieden, zelfs niet als deze denkbeelden als immoreel gezien worden. Het liberale gedachtegoed van Locke is vooral ethisch gezien erg sterk, maar er zal goed over nagedacht moeten worden hoe hier in de praktijk invulling aan te geven.

Literatuur

Christman, J. (2002). Social and Political Philosopy. A Contemporary Introduction. New York: Routledge.

Hampton, J. (1988). Hobbes and the Social Contract Tradition. Cambridge: Cambridge University Press

Hobbes, T. (1651). Leviathan. London: Andrew Crooke. Locke, J. (1689a). Two Treatises of Government. London.

Locke, J. (1689b). Een brief over tolerantie. Budel: Damon. Nozick, R. (1974). Anarchy, State, and Utopia. New York: Basic Books

White, M.J. (2012). Political Philosophy. A Historical Introduction. New York: Oxford University Press