Archief voor de ‘Politiek’ Categorie

Studeren moet weer elitair worden

Geplaatst: juli 11, 2014 in Politiek

Dit artikel verscheen eveneens in de zomer-editie van de StudentenKortingskrant en op http://www.sk2.nl 

Het merendeel van de studenten heeft tijdens de gemeenteraadsverkiezingen en de Europese verkiezingen weer braaf op D66 gestemd. Uiteraard beloont de partij haar jeugdige kiezers rijkelijk voor dit vertrouwen, de studiefinanciering zal namelijk worden afgeschaft. Zichzelf profileren als onderwijspartij en ondertussen doodleuk de drempel tot dat onderwijs verhogen, zo rolt D66. Voor jongeren die geen rijke pappie en mammie hebben wordt studeren haast onmogelijk gemaakt. Hallo, economische elite. Doei, opwaartse sociale mobiliteit. Of ligt het iets genuanceerder? 

De regeringspartijen VVD en PvdA hebben met de oppositiepartijen D66 en GroenLinks een akkoord bereikt over het invoeren van een sociaal leenstelsel. De basisbeurs, voor uitwonende studenten zo’n 280 euro, wordt met ingang van 1 september 2015 afgeschaft en vervangen door een sociaal leenstelsel. Vervolgens krijgt de student 35 jaar om de opgebouwde studieschuld naar draagkracht af te lossen. De aanvullende beurs voor studenten met minder draagkrachtige of weigerachtige ouders wordt verhoogd met maximaal 100 euro. De vraag is echter wat het criterium is voor ‘weigerachtig’ en hoe dit gecontroleerd gaat worden. Het geld wat de staat met deze maatregelen bespaart zal geïnvesteerd worden in de kwaliteit van het onderwijs. Echter is duidelijk dat de student er in de nieuwe situatie financieel gezien flink op achteruit gaat.

Als er één middel is om ongelijkheid op een legitieme manier te bestrijden dan is het wel via onderwijs. In een ideale wereld heeft iedereen gelijke kansen op onderwijs. Helaas is dat in de praktijk niet zo, want er zijn veel factoren die dit beïnvloeden. Iemand met hoogopgeleide ouders zal waarschijnlijk eerder gaan studeren dan iemand met laagopgeleide ouders, omdat het van hem of haar verwacht wordt. Daarnaast is het van belang of iemands vrienden ook gaan studeren. Ben je de vreemde eend in de bijt, of is studeren de normaalste zaak van de wereld? Kortom, het sociale milieu bepaalt mede of iemand gaat studeren of niet en dit wordt niet alleen bepaald door financiële middelen.
Geld speelt echter wel een essentiële rol. Zonder geld is het simpelweg onmogelijk om te gaan studeren. Als ouders niet kunnen of willen bijspringen, moet een student toch gauw een slordige duizend euro per maand ophoesten aan collegegeld, huur, eten en drinken, verzekeringen, kleding enz. Om rond te komen moet er dus flink gewerkt worden en vaak worden bijgeleend om ook nog tijd over te houden om te studeren. Dit was het geval in het oude stelsel en dit zal door de nieuwe maatregelen niet veranderen. Hooguit zal er meer geleend moeten worden, maar de voorwaarden worden dan ook een stuk aantrekkelijker. De rijkere ouders zullen iets meer bijdragen aan de opleiding van hun kroost en de studenten met minder rijke ouders worden daarvoor gecompenseerd. De ongelijkheid zal in die zin dus niet zozeer toe- of afnemen, hooguit zal de psychologische drempel iets hoger worden. Studenten met minder rijke ouders zien namelijk een enorme studieschuld tegemoet.

De ongelijke kansen op onderwijs worden dus vooral bepaald door de plek waar iemands wieg staat. We moeten echter niet overdrijven, in Nederland heeft iedereen de kans om te gaan studeren. Voor de één kost dit meer moeite dan voor de ander, maar we kunnen rijke ouders moeilijk verbieden om te investeren in hun zoon of dochter. Gelijke kansen creëren is onmogelijk, maar de mooiste doelpunten worden vaak gemaakt vanuit de moeilijkste posities. Des te meer moeite iemand moet doen om überhaupt te kunnen studeren, des te gemotiveerder diegene zal zijn. En dat is juist waar studeren om gaat, de intrinsieke motivatie om jezelf te ontwikkelen. Heerlijk ongegeneerd je kennis vermeerderen. Studeren is vooral een investering in jezelf en het is niet verkeerd dat studenten inzien dat dit kosten met zich meebrengt. Waarom zou een vrachtwagenchauffeur moeten bijdragen aan de studie van een rijkeluiszoontje, terwijl zijn ouders het prima zelf kunnen betalen? Uiteraard, studeren is ook een investering in de maatschappij en dat is juist waarom er gefocust moet worden op kwaliteit en niet op kwantiteit. Strengere toelatingseisen op de universiteiten. Ben je niet gemotiveerd? Prima, daar is de deur. De drempel en de lat mogen best wat hoger gelegd worden, op intellectueel gebied dan. Waarom zou de maatschappij investeren in studenten die hun talenten verkwanselen? Misschien is dat sociale leenstelsel geeneens zo’n heel slecht plan. Als het bespaarde geld op een goede manier wordt geherinvesteerd kan het juist de kwaliteitsinjectie betekenen die het hoger onderwijs nodig heeft. Studeren moet weer elitair worden. Niet enkel voor de economische elite, maar enkel voor de intellectuele en gemotiveerde elite.

Jaap van Ark

Botsing tussen de islam en het Westen

Geplaatst: juli 11, 2014 in Politiek

De wereld is een brandhaard. Syrië, Oekraïne, er lijkt maar geen einde te komen aan grote conflicten. Wat is de belangrijkste oorzaak van deze onrusten? Is de belangrijkste bron van conflict ideologisch, economisch of zijn er nog andere oorzaken? In dit essay beargumenteer ik in hoeverre er sprake is van een botsing der beschavingen in de Internationale Betrekkingen. Eerst werk ik de these van Samuel Huntington uit zoals hij dit beschrijft in zijn essay The Clash of Civilizations?. Vervolgens behandel ik de alternatieve these van Francis Fukuyama en de kritiek van Amartya Sen op het werk van Huntington. Ten slotte bespreek ik aan de hand van twee casussen in hoeverre de verklaringskracht van de ‘Clash of Civilizations’ de laatste jaren is toe- of afgenomen.

The Clash of Civilizations
In 1993 kwam de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington met een theorie over botsende beschavingen. Dit werkte hij uit in een spraakmakend artikel in het blad Foreign Affairs. Dit artikel kan gezien worden als een reactie op The End of History and the Last Man van Francis Fukuyama, die ik verderop in dit essay zal behandelen. Huntington stelt dat de bron van conflict na de Koude Oorlog niet meer primair ideologisch of economisch zal zijn, maar vooral cultureel. “It is my hypothesis that the fundamental source of conflict in this world will not be primarily ideological or primarily economic. The great divisions among humankind and the dominating source of conflict will be cultural. Nation states will remain the most powerful actors in world affairs, but the principal conflict of global politics will occur between nations and groups of  different civilizations.”(Huntington, 1993, p.22).
Vroeger ontstonden conflicten vooral tussen keizers en koningen. In de periode van de Franse Revolutie vooral tussen naties en mensen. Als gevolg van de Russische Revolutie werden ideologieën de belangrijkste bron van conflict. Met het einde van de Koude Oorlog kwam er echter een einde aan deze ideologische conflicten. Huntington voorspelt dat beschavingen steeds belangrijker zullen worden in grote internationale conflicten. Hij omschrijft een beschaving als volgt: “A civilization is thus the highest cultural grouping of people and the broadest level of cultural identity people have short of that which distinguishes humans from other species.” (Huntington, 1993, p.24).
Huntington onderscheidt de volgende beschavingen: westers, confuciaans, Japans, islamitisch, hindoestaans, slavisch-orthodox, Latijns-Amerikaans en Afrikaans. De wereldpolitiek zal gekenmerkt worden door conflicten tussen deze beschavingen. Ik zal me vooral focussen op de islamitische en westerse beschaving.

Islam en het Westen
Volgens Huntington is de rol van religie binnen een beschaving essentieel. Het Westen heeft christelijke wortels en deze botsen met de islamitische beschaving. Zowel het christendom als de islam claimt de enige ware religie te zijn, dus de kans dat dit problemen veroorzaakt is groot (Huntington, 1993).  Er zijn altijd al spanningen geweest tussen het westen en de islam en deze zullen alleen maar verder toenemen. Het Islamitisch fundamentalisme groeit en de belangen van het westen in de Perzische Golf zijn groot vanwege de aanwezige olie. Ook de explosieve bevolkingsgroei in de Arabische wereld leidt tot oplopende spanningen. De migratie vanuit Arabische landen naar West-Europa neemt toe en in veel Westerse landen wordt deze ontwikkeling als negatief beschouwd. Daarnaast heeft het westen de gewoonte om haar denkbeelden aan andere beschavingen op te dringen, terwijl hier in andere beschavingen geen behoefte aan is. “Western ideas of individualism, liberalism, constitutionalism, human rights, equality, liberty, the rule of law, democracy, free markets, the separation of church and state, often have little resonance in Islamic, Confucian, Japanese, Hindu, Buddhist, or Orthodox cultures.”(Huntington, 1993, p. 40).
Het westen gebruikt internationale instituties en militaire macht om haar eigen belangen te promoten. Al deze factoren zorgen ervoor dat de spanningen tussen de westerse en islamitische beschavingen steeds verder oplopen. Dit wordt versterkt doordat landen met dezelfde beschaving tijdens een conflict steun bij elkaar zoeken. Het zogenaamde kin-country syndroom vervangt de politieke ideologie en de traditionele machtsbalans (Huntington, 1993, p. 35). Huntington voorspelt in 1993 al dat er een grote confrontatie zal plaatsvinden tussen het Westen en de islam. Hij wordt dan ook gezien als de voorspeller van de aanslagen op 11 september 2001 en de reactie van het Westen daarop.

Alternatieve thesen en kritieken
Francis Fukuyama stelt in zijn artikel The End of History? dat met het einde van de Koude Oorlog het einde van de vooruitgang van de mens is bereikt. What we may be witnessing is not just the end of the Cold War, or the passing of a particular period of post-war history, but the end of history as such: that is, the end point of mankind’s ideological evolution and the universalization of Western liberal democracy as the final form of human government.”(Fukuyama, 1989, p.2). Het liberalisme heeft gewonnen van het communisme en er is dus een einde gekomen aan de ideologische evolutie van de mens. De westerse liberale democratie is de beste regeringsvorm en zal uiteindelijk door de hele wereld worden overgenomen. De internationale verhoudingen worden volgens Fukuyama vooral bepaald door ideologieën.  Grootschalige conflicten zullen dus in de toekomst niet meer voorkomen (Fukuyama, 1989). Met name door de aanslagen van 9-11 en de gevolgen die deze hebben gehad, heeft de these van Fukuyama veel verklaringskracht verloren. Toch is The end of History? wel degelijk relevant omdat het werk van Huntington als een reactie hierop gezien kan worden.
Volgens Amartya Sen klopt de analyse van Huntington niet. Zo stelt Sen dat mensen niet louter gezien kunnen worden als lid van een bepaalde beschaving. De identiteit van een mens bestaat uit veel meer zaken dan alleen cultuur en religie. Zo kan een moslim ook vader, arbeider enzovoort zijn. Volgens Sen is de analyse van Huntington veel te kortzichtig. Daarnaast kloppen de verschillende beschavingen die Huntington onderscheidt niet. Huntington plaatst India bijvoorbeeld onder de Hindoestaanse beschaving, terwijl daar ook heel veel moslims wonen. Mensen zijn vooral vrije individuen en kunnen veranderen (Sen, 2006).

Afghanistan en Irak
Zoals eerder vermeld wordt Huntington wel gezien als voorspeller van 9-11. Toen George W. Bush na 11 september de oorlog aan het terrorisme verklaarde stelde hij landen voor de keuze: “Either you are with us, or you are with the terrorists” (Bush, 2001). Een kleine maand na de aanslagen vielen de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië en Frankrijk het islamitische Afghanistan binnen. Het Afghaanse regime, de Taliban, werd ervan beschuldigd de terroristische groepering Al Qaida te ondersteunen. Daarnaast zou de hoofdverdachte van de aanslagen, Osama Bin Laden, zich in het land verschuilen. Onder de noemer War on Terror trok het Westen ten strijde tegen islamitische terroristen (Oorlog in Afghanistan, 2003). De Taliban werd vrij snel verslagen, Bin laden werd uiteindelijk in Pakistan gevonden en doodgeschoten, maar ruim twaalf jaar na de inval is Afghanistan nog steeds een brandhaard.
In maart 2003 volgde de invasie van Irak door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. De belangrijkste reden hiervoor was dat de Irakese dictator Saddam Hoessein in het bezit zou zijn van massavernietigingswapens. Dit werd gezien als een grote bedreiging voor het Westen. Ook zou het regime van Hoessein nauwe banden onderhouden met islamitische terreurorganisaties, waaronder Al Qaida. Saddam Hoessein werd van de troon gestoten, maar massavernietigingswapens werden nooit gevonden (Benedictus, 2013).
Uit deze voorbeelden blijkt duidelijk een botsing tussen het Westen, met name de VS, en islamitische regimes en terreurorganisaties. De religieus leider van Iran, Ayatollah Ali Khamenei riep op tot een heilige oorlog tegen het Westen. Naar aanleiding van de Eerste Golfoorlog zei Saddam Hoessein: “It is the West against Islam.”, waarop hij grote bijval kreeg in de islamitische wereld (Huntington, 1993, p.35). Uit de uitspraken van de hierboven genoemde leiders blijkt duidelijk dat er sprake is van het kin-country syndrome.

Conclusie
Mijns inziens is de theorie van de botsende beschavingen vrij sterk. Dit betekent niet dat deze theorie altijd en overal geldt, er zullen ook andere factoren een rol spelen bij conflicten. De these van Fukuyama vind ik veel minder overtuigend. Het is heel erg vanuit een westers perspectief geformuleerd. Voor het westen is de liberale democratie misschien de beste regeringsvorm en het ideaal, maar dat zegt niet dat dit ook voor andere beschavingen geldt. Huntington kiest hierin een beter uitgangspunt door te stellen dat het Westen juist terughoudend moet zijn in het opleggen van haar gedachtengoed aan anderen. Internationale verdragen en constituties zijn gebaseerd op westerse normen en waarden, maar de vraag is in hoeverre deze universeel zijn.
De kritiek van Sen is misschien terecht, maar dat betekent niet dat Huntingtons’ theorie de prullenbak in kan. Het klopt dat de identiteit van een mens uit meer factoren bestaat dan alleen culuur en religie, maar dat neemt niet weg dat cultuur en religie in grote mate de identiteit bepalen. Huntington stelt niet dat cultuur de enige factor is die conflict veroorzaakt, hij stelt enkel dat het de primaire factor is. “This article does not argue that civilization identities will replace all other identities, that nation states will disappear, that each civilization will become a single coherent political entity, that groups within a civilization will not conflict with and even fight each other.”(Huntington, 1993, p.48).
Je kunt inderdaad je vraagtekens zetten bij de beschavingen die Huntington onderscheidt, maar Huntington zegt ook dat mensen en beschavingen kunnen veranderen. Uit de gebeurtenissen na 11 september 2001 concludeer ik dat de verklaringskracht van de these van Huntington is toegenomen. Hoewel er niet bij elk recent conflict zo evident sprake is van een botsing der beschavingen, is er wel degelijk sprake van een botsing tussen de islam en het Westen.

 

Literatuur

Benedictus, J. (2013, 20 maart). Amerikaanse invasive in Irak 2013. Opgevraagd op 5 mei 2014 van http://www.isgeschiedenis.nl/nieuws/amerikaanse-invasie-in-irak-in-2003/

Bush, G.W. (2001, 20 september). Address to a Joint Session of Congress and the American People. Opgevraagd op 17 april 2014 van http://georgewbush-whitehouse.archives.gov/news/releases/2001/09/20010920-8.html

Fukuyama, F. (1989). The End of History?. National Interest.

Huntington, S. P. (1993). The Clash of Civilizations?. Foreign Affairs.

Oorlog in Afghanistan. (23 januari 2003). Opgevraagd op 5 mei 2014 van http://www.novatv.nl/page/detail/nieuws/71

Sen, A. (2006). What Clash of Civilizations? Why Religious Identity Isn’t Destiny. Slate, 29 maart.

Absolutisme versus Liberalisme

Geplaatst: juli 11, 2014 in Politiek

Waarom moeten wij de overheid gehoorzamen? Waar liggen de grenzen aan de macht van de staat? Dienen wij al onze rechten op te geven, of kunnen wij bepaalde rechten behouden? In dit essay bespreek ik het contractdenken van Thomas Hobbes en John Locke. Deze filosofen proberen met behulp van een sociaal contract de huidige politieke toestand te verklaren. Eerst geef ik een beschrijving van hun gedachtegoed, vervolgens bespreek ik de verschillen en overeenkomsten met betrekking tot het concept ‘politieke legitimiteit’ en ten slotte beargumenteer ik welke visie in mijn ogen overtuigender is.

Hobbes
Thomas Hobbes (1588-1678) leefde in een tijd waarin veel religieuze oorlogen plaatsvonden. Hij kwam uit een arm milieu, maar koos in de burgeroorlog de kant van koning Charles 1. In deze context van onrust en oorlog is het goed voor te stellen dat er in een maatschappij zonder een sterke centrale autoriteit een oorlog van allen tegen allen zou uitbreken (Christman, 2002, p.28). Hobbes verdedigt in zijn bekendste werk Leviathan de absolute macht van de vorst. Volgens Hobbes is de mens geprogrammeerd als overlevingsmachine. De mens wordt gedreven door een alles overheersende angst voor de dood en stelt alles in het werk om zijn of haar voortbestaan te vergemakkelijken. Daaruit volgt een natuurwet waarin de rede ons verbiedt te doen wat ons eigen leven bedreigt: “A law of nature, lex naturalis, is a precept, or general rule, found out by reason, by wich a man is forbidden to do that wich is destructive of his life.” (Hobbes, 1651, p. 100).
Hobbes neemt ons mee in een gedachte-experiment waarin er geen staat is, dit noemt hij de natuurtoestand. In deze natuurtoestand is iedereen gelijk en is het leven ‘solitary, poor, nasty, brutish and short’. Uit gelijkheid volgt wantrouwen en uit wantrouwen volgt een oorlog van allen tegen allen. Deze oorlog wordt veroorzaakt door wedijver, wantrouwen en trots (Hobbes, 1651, p. 97). Er gelden geen rechten en plichten en morele noties zijn betekenisloos. Om aan deze oorlog te ontsnappen dienen burgers middels een contract hun macht over te dragen aan een centrale autoriteit, de soeverein. Ze leveren als het ware hun vrijheid in, in ruil voor bescherming. Het contract is tussen burgers onderling. De soeverein staat hier boven en dient het enkel te handhaven. De staat heeft het geweldsmonopolie en kan burgers zo dwingen tot gehoorzaamheid. Het is dus voor iedereen het beste om de soeverein te gehoorzamen want zo wordt men niet in het voortbestaan bedreigd en ontloopt men straf. Volgens Hobbes is het rationeel dat burgers al hun rechten en vrijheden overdragen aan de staat omdat dit altijd het optimale resultaat zal opleveren. Als we dit niet doen zullen er altijd conflicten blijven bestaan. Alleen als de staat haar burgers in hun voortbestaan bedreigd mogen zij in opstand komen (White, 2012, p.248).

Locke
John Locke (1632-1704) was een jongere tijdgenoot van Hobbes. Hij gaat mee in het gedachte-experiment van de natuurtoestand maar verbindt hier andere conclusies aan dan zijn oudere tijdgenoot (Christman, p. 42). In tegenstelling tot Hobbes was Locke juist tegen de royalisten en de absolute monarchie. “To understand political power right, and derive it from it’s original, we must consider, what state are all men naturally in, and that is, a state of perfect freedom to order their actions, and dispose of their possessions and persons, as they think fit, within the bounds of the law of nature, without asking leave, or depending upon the will of any other man.” (Locke, 1689a, p. 1). Locke neemt concepten als de natuurtoestand en de natuurwet over van Hobbes, maar lijkt toch iets minder negatief tegen de natuurtoestand aan te kijken. Dit komt met name omdat er volgens hem wel degelijk sprake is van moreel besef in de natuurtoestand. Dit betekent dat burgers zelf kunnen bepalen wat goed en slecht is. De staat is er enkel om te handhaven, zij bepaalt niet wat goed en slecht is.
Volgens Locke hoeven burgers niet al hun vrijheden over te dragen aan de staat, of zoals hij het noemt ‘de magistraat’. Ze behoeven alleen de rechten en vrijheden af te staan die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de staat. Het recht op leven, vrijheid en eigendom behouden de burgers zelf en hier dient de staat zich niet mee te bemoeien. Deze rechten worden ook wel natuurrechten genoemd en zijn nog steeds enorm belangrijk in discussies over mensenrechten. Hij pleit voor een sterke scheiding tussen kerk en staat. De staat dient zich te beperken tot het bewaren en bevorderen van burgerlijke goederen. Als de rechten van andere mensen in het geding komen mag de staat straffen, want wetten hebben geen enkele zin zonder dreiging van straf (White, 2012, p.270). Locke maakt echter een duidelijk onderscheid tussen het uitwendige en het innerlijke. De staat moet zich niet met het innerlijke bemoeien omdat ze daar geen invloed op kan uitoefenen. “Geen straf ter wereld kan de ziel ook maar in het minst van zo’n overtuiging doordrenken. Om een gezindheid van de ziel te veranderen is een licht nodig dat door geen enkele lijfstraf bewerkstelligd kan worden.” (Locke, 1689b, p. 33). Toch spreekt Locke zich op dit punt wel enigszins tegen, hij staat namelijk intolerant tegenover intolerantie. Katholieken zijn volgens hem intolerant en atheïsten amoreel, zij verdienen dus geen tolerantie. De innerlijke vrijheid die burgers hebben brengt echter wel plichten met zich mee, dit noemt Locke de plichten van tolerantie. Het geweldsmonopolie ligt bij de staat en geen enkele private persoon mag geweld gebruiken, behalve als het gaat om zelfverdediging. Daarnaast mag niemand, behalve de staat, inbreuk doen op de burgerlijke goederen van anderen. Ten slotte moet niemand zich bemoeien met mensen die schade berokkenen aan zichzelf. Als zij anderen niet schaden, mogen zij hun gang gaan (Locke, 1689b).

Vergelijking
Beide contractdenkers nemen ons in een gedachte-experiment mee naar de natuurtoestand. Ook zijn beiden het eens dat er geen ordelijke maatschappij kan bestaan zonder een staat en dat er voor het functioneren van een staat bepaalde vrijheden moeten worden opgegeven. Hobbes gaat hierin echter veel verder dan Locke.
Volgens Hobbes moeten alle rechten en vrijheden worden overgedragen aan de staat. In de natuurtoestand is geen sprake van moreel besef, dat besef ligt volkomen bij de soeverein. De soeverein is almachtig en wij dienen hem dan ook in alles te gehoorzamen. Alleen als de soeverein ons in ons voortbestaan bedreigt mogen de burgers in opstand komen. Het probleem is echter dat de burgers hun oordeelsvermogen hebben afgestaan aan de soeverein, dus zij kunnen niet bepalen wanneer hun voortbestaan bedreigd wordt. De soeverein staat boven het contract en is nergens aan gebonden, dus er ligt een groot gevaar van machtsmisbruik op de loer.
Locke pleit voor gelimiteerde macht van de staat. In tegenstelling tot Hobbes is Locke voor een scheiding der machten, zodat de magistraat ook zelf aan het contract gebonden is. Als de uitvoerende en de wetgevende macht gescheiden zijn, kan de magistraat zich moeilijk onttrekken aan de wetten die hij zelf gemaakt heeft. Toch blijft dit onderscheid een beetje vaag. Door het garanderen van de natuurrechten: leven, vrijheid en eigendom, is Lockes’ contract veel liberaler dan dat van Hobbes. Burgers geven alleen die rechten en vrijheden op die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de staat. Het onderscheid tussen het uitwendige en het innerlijke stelt duidelijke grenzen aan de macht van de staat. Ook houden de burgers zelf het oordeelsvermogen om de staat te bekritiseren. Locke stelt dus wel grenzen aan de macht van de staat, maar het blijven vage en oprekbare grenzen. Het grootste verschil tussen het contractdenken van Hobbes en Locke is dat bij Hobbes de macht van de soeverein in principe ongelimiteerd is, terwijl Locke probeert de macht van de staat zo klein mogelijk te houden.

Mijn visie
De essentie van de theorie van Hobbes is dat de soeverein almachtig is. De soeverein bepaalt wat er gepreekt en onderwezen wordt. De legitimiteit van de macht van de soeverein vervalt enkel als hij ons bedreigt in ons voortbestaan. Zoals eerder opgemerkt destabiliseert dit het contract, want wij hebben ons oordeelsvermogen moeten afstaan en kunnen nooit beoordelen wanneer wij in ons voortbestaan bedreigd worden. Hobbes pleit dus eigenlijk voor ongelimiteerde macht van de soeverein. We kunnen talloze voorbeelden aanhalen van dictatoriale regimes waaruit blijkt dat het levensgevaarlijk is om het lot van de bevolking in handen van één machthebber te leggen. Daarnaast gaat Hobbes ervan uit dat de mens is geprogrammeerd als overlevingsmachine. Op deze assumptie is zijn hele theorie gebouwd. Maar is dat wel zo? Zouden wij een implantaat accepteren dat ons handelen en denken zou aansturen, omdat dat beter is voor ons voortbestaan (Hampton, 1988)? Ik denk het niet. Ik denk dat ik zonder een zekere mate van autonomie en vrijheid niet zou willen leven.
De theorie van Locke spreekt me veel meer aan. Hij pleit voor een minimale, liberale staat. De overheid is niet de oorsprong van het recht, maar slechts de uitvoerder. De soeverein staat niet boven het contract, maar is er zelf aan gebonden. Locke lijkt in te zien dat wij meer zijn dan enkel overlevingsmachines, daarom stelt hij grenzen aan de macht van de staat. De vraag is echter wel waar die grenzen liggen. Zonder belastingen kan een staat niet bestaan. Robert Nozick (1974) werkt dit verder uit en stelt dat een staat geen inkomstenbelasting mag heffen, omdat dit het eigendomsrecht aantast. Echter, wegenbelasting of btw is wel toegestaan omdat dit geen natuurrechten aantast. Ook het onderscheid tussen het uitwendige en het innerlijke spreekt me erg aan, al is hij hier niet consequent in. Mijns inziens kan en mag de staat nooit gedachten van mensen verbieden, zelfs niet als deze denkbeelden als immoreel gezien worden. Het liberale gedachtegoed van Locke is vooral ethisch gezien erg sterk, maar er zal goed over nagedacht moeten worden hoe hier in de praktijk invulling aan te geven.

Literatuur

Christman, J. (2002). Social and Political Philosopy. A Contemporary Introduction. New York: Routledge.

Hampton, J. (1988). Hobbes and the Social Contract Tradition. Cambridge: Cambridge University Press

Hobbes, T. (1651). Leviathan. London: Andrew Crooke. Locke, J. (1689a). Two Treatises of Government. London.

Locke, J. (1689b). Een brief over tolerantie. Budel: Damon. Nozick, R. (1974). Anarchy, State, and Utopia. New York: Basic Books

White, M.J. (2012). Political Philosophy. A Historical Introduction. New York: Oxford University Press 

Dit artikel verscheen eveneens op http://www.sk2.nl

Ik ben tegen de EU, moet ik toch gaan stemmen? Is een stem op de VVD een stem op D66? Gaat mijn stem naar een antisemitische partij als ik op de PVV stem? Bepalen deze verkiezingen wie er president van Europa wordt? Binnenkort zijn er Europese verkiezingen, toch snapt bijna niemand waar het precies over gaat. Dit artikel tracht enige duidelijkheid te bieden, zodat u op 22 mei een weloverwogen keuze kunt maken.

Presidentsverkiezningen
Het werd groots aangekondigd, op 28 april 2014 vond in Maastricht het ‘eerste Europese presidentiële debat ooit’ plaats. U heeft er waarschijnlijk weinig van meegekregen, want het debat werd niet op de Nederlandse televisie uitgezonden. Er is namelijk helemaal geen sprake van presidentsverkiezingen. Men doet voorkomen alsof u rechtstreeks een Europese president kunt kiezen, om u naar de stembus te lokken. In werkelijkheid zal de uitslag van de verkiezingen ‘worden meegenomen’ in het besluit wie voorzitter van de Europese Commissie wordt. Kandidaten voor dit voorzitterschap zijn Jean-Claude Juncker van de christendemocraten (CDA), Guy Verhofstadt van de liberalen (VVD en D66) en Martin Schulz van de sociaaldemocraten (PvdA). De kans lijkt echter vrij groot dat wordt besloten om heel iemand anders naar voren te schuiven. Europa heeft geen echte president zoals de VS dat heeft en de kiezer bepaalt niet wie voorzitter wordt van de belangrijke instituties binnen de EU. De aanstaande verkiezingen bepalen wie er in het Europees Parlement mogen plaatsnemen. Er zijn 751 zetels te verdelen, waarvan er 26 voor Nederland beschikbaar zijn. Door veel mensen worden deze verkiezingen echter vooral gezien als een ja of nee tegen de Europese Unie. U bent eurofiel of eurosceptisch, een tussenweg lijkt er niet te zijn.

Eurofiel
Als u zeer tevreden bent over de Europese Unie en vindt dat de EU meer macht moet krijgen kunt u stemmen op D66 of GroenLinks. Deze partijen zijn voor verdergaande Europese integratie. Dat houdt in dat de nationale regeringen steeds meer macht overdragen aan Brussel en we richting een Verenigde Staten van Europa gaan. Bent u wel tevreden over de EU, maar vindt u dat Den Haag ook nog wat te zeggen moet hebben dan kunt u terecht bij de PvdA en het CDA. Deze partijen staan positief tegenover de EU, maar willen wel opkomen voor de Nederlandse belangen. De VVD ten slotte is voor de EU als vrijhandelszone, maar tegen een verdere afdracht van politieke soevereiniteit. Het merkwaardige is echter dat de VVD en D66 in het Europees Parlement een lijstverbinding hebben. Dus als u stemt op de iets meer eurosceptische VVD, stemt u alsnog op een fractie die richting een Europese superstaat wil.

Eurosceptisch
Wilt u uit de EU en stoppen met de Euro dan kunt u kiezen tussen de PVV en Artikel 50. De PVV is in Nederland verreweg de grootste eurosceptische partij, maar lijkt in Europa geen echte vuist te kunnen maken. De partij wil een lijstverbinding aangaan met het vermeende antisemitische Front National en daar voelen andere eurosceptische partijen weinig voor. Artikel 50 is een nieuw eurosceptisch alternatief. De kans lijkt klein dat de partij een zetel weet te behalen, maar mocht dit wel gebeuren dan zal ze aansluiting zoeken bij de UK Independence Party. De UKIP wordt gezien als een sterke eurosceptische partij en heeft in de persoon van Nigel Farage een gepassioneerd leider.
Iets meer gematigde eurosceptische opties zijn de SP en de christelijke partijen. De SP wil niet per se uit de EU, maar vindt wel dat de macht van de EU sterk moet afnemen. De socialisten zijn voor samenwerking, maar tegen de superstaat die de EU dreigt te worden. Hier sluit de christelijke lijstverbinding CU/SGP zich bij aan, al houden de christenen een iets constructievere houding aan.

Uw stem
Door alle lijstverbindingen is het lastig te bepalen welke partij het best bij u past en welke waarde uw stem precies heeft. Eén ding is echter duidelijk, zelfs als u tegen de EU bent is het toch verstandig om te gaan stemmen. Natuurlijk geeft u een signaal af als u niet gaat, dit signaal zal echter nauwelijks gehoord worden. Het opkomstpercentage bij Europese verkiezingen ligt al jaren ruim onder de 50 procent en dat zal dit jaar niet anders zijn. Het verleden heeft bewezen dat een laag opkomstpercentage niets verandert, dus maak gebruik van uw recht en laat uw stem horen.

Jaap van Ark

 

 

Dit artikel verscheen eveneens in de lente-editie van de StudentenKortingskrant

Terwijl politiek Den Haag de poot stijf houdt als het gaat om legalisering van ‘softdrugs’, staan veel politieke jongerenorganisaties open voor legalisering van sommige ‘harddrugs’. Uit vele onderzoeken blijkt dat xtc bijvoorbeeld veel minder schadelijk en verslavend is dan maatschappelijk geaccepteerde drugs als alcohol en tabak. Daarnaast zal het druggebruik op deze wijze veel beter te controleren en te reguleren zijn. Het lijkt echter zeer onwaarschijnlijk dat de geliefde partydrug binnenkort echt legaal is, want de politici in Den Haag zijn vooralsnog vooral heel naïef.  

Van de jongeren in Nederland die uitgaan heeft 60 procent ten minste één keer xtc gebruikt in het afgelopen jaar. Het is al lang niet meer zo dat de drug alleen gebruikt wordt in bepaalde scenes. Van hoog- tot laagopgeleid, van advocaat tot stukadoor, velen willen weleens een pilletje proberen. En waarom ook niet? Een avondje los gaan op alcohol is tegenwoordig haast niet meer te betalen, zeker niet voor studenten. Een pilletje is een goedkoop alternatief, het geeft je een beter gevoel en de kater is een poesje in vergelijking met de alcoholische variant. Op festivals en in clubs is het gebruik van xtc dan inmiddels ook gemeengoed. Je kunt je drugs laten testen bij een testservice en in uitgaansgelegenheden hangen posters om je te waarschuwen tegen vervuilde pillen.

Het gebruik van xtc brengt echter wel degelijk gevaren met zich mee. Als je zo maar een pilletje aanneemt van iemand die je niet kent, heb je geen idee welke stoffen deze pil bevat. Dit kan levensbedreigende situaties opleveren. Om dit in de toekomst te voorkomen vinden de jongerenorganisaties van de VVD, D66, GroenLinks en de PvdA dat er nagedacht moet worden over een effectiever beleid.  Het huidige beleid kan het gebruik van harddrugs niet voorkomen en heeft vooral negatieve effecten. Door regulering kan de kwaliteit van de drugs worden gewaarborgd en kunnen de gebruikers beter worden voorgelicht over de risico’s. Te denken valt dan aan een verstrekkingspunt als een apotheek waar een maximale hoeveelheid per persoon verkocht mag worden, uiteraard met uitgebreide bijsluiter. De jongerenorganisaties zien legalisering dan ook als minst slechte oplossing om de gevaren van drugs in te dammen. Men is echter wel van mening dat zeer schadelijke en verslavende drugs als heroïne, crack en christal meth verboden moeten blijven.

Maar is legalisering van ‘harddrugs’ geen verkeerd signaal aan de samenleving? Nee, het is vooral een realistisch en verstandig signaal. Waarom xtc verbieden terwijl alcohol en tabak aantoonbaar schadelijker en verslavender zijn? Moeten we dan alcohol en tabak ook maar gaan verbieden? Nee, de verantwoordelijkheid voor het gebruik van genotsmiddelen ligt bij de gebruiker zelf. Een geïnformeerd volwassen persoon kan zelf de afweging maken wat zwaarder weegt: het genot dat de drug oplevert, of de schade die het toebrengt aan de gezondheid. De overheid dient pas in te grijpen als jouw druggebruik schade aan anderen toebrengt. Niet geheel verrassend is dit veel vaker het geval bij alcoholgebruik dan bij xtc-gebruik.

harm caused by drugs

Waar komt dan het onderscheid tussen legale genotsmiddelen (alcohol en tabak), softdrugs (cannabis) en harddrugs (xtc) vandaan? Zoals in bovenstaande grafiek is te zien, zou deze verdeling qua schadelijkheid exact omgekeerd moeten zijn. Hoe schadelijk of verslavend een bepaalde drug is, is dan ook niet het criterium waarop dit onderscheid gebaseerd is. Het wordt bepaald aan de hand van de mate waarin iemand zich terugtrekt uit de realiteit. Iemand die tabak rookt trekt zich nauwelijks terug uit de realiteit, maar iemand die xtc gebruikt doet dat wel. Op het moment dat iemand zich terugtrekt uit de maatschappij neemt zijn of haar economische productiviteit enorm af en dit is dan ook de reden waarom veel mensen harddrugs als iets negatiefs zien.

Vanuit politiek Den Haag kunnen de jongerenorganisaties vooralsnog op weinig steun rekenen. Minister van Veiligheid en Justitie, Ivo Opstelten, staat bekend als een echte ‘drugfighter’. In tegenstelling tot de JOVD (jongerenorganisatie VVD) is de VVD tegen legalisering van zowel soft- als harddrugs. De PvdA en Groenlinks staan welwillend tegenover het legaliseren van softdrugs, maar legalisering van harddrugs gaat hen een stap te ver. Enkel D66 is het met de jongerenorganisaties eens en kan in dit geval dus met recht een jongerenpartij genoemd worden.

Jaap van Ark

Dit artikel verscheen eveneens op http://www.thepostonline.nl

De Zwarte Piet-discussie woedde de afgelopen tijd als een zware herfststorm door ons kleine landje. Iedereen moest zijn of haar mening ventileren. Van “het Sinterklaasfeest moet verboden worden”, tot “als die negers het niet zint dan rotten ze maar op”. We lijken er niet uit te komen of Zwarte Piet daadwerkelijk racisme is of niet, maar deze discussie maakte wel duidelijk dat er schrikbarend veel racistische ideeën onder de Nederlandse bevolking heersen. Hierin zagen de tegenstanders van Zwarte Piet de bevestiging: de overheid moet het Sinterklaasfeest in de huidige vorm verbieden.
De vraag is: op grond waarvan kan de staat deze ‘traditie’ verbieden?

Om deze vraag te beantwoorden dienen we eerst een onderscheid te maken tussen discriminatie en racisme. Velen halen deze termen door elkaar, maar er is wel degelijk sprake van een juridisch verschil. Discriminatie is het in gelijke gevallen ongelijk behandelen van burgers. Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet zegt daar het volgende over:
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Essentieel in deze is het handelingsperspectief, er dient daadwerkelijk sprake te zijn van een handeling.
Racisme daarentegen is een mening of denkbeeld dat er aangeboren verschillen zijn tussen rassen. Vaak betekent dit dat het ene ras zich superieur acht ten opzichte van een ander ras, oftewel men vindt het andere ras minderwaardig. Indien er geen handelingsperspectief aan racisme wordt gekoppeld valt het onder de vrijheid van meningsuiting vastgelegd in artikel 7 van de Nederlandse Grondwet en nog explicieter in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens:
Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

De vrijheid van meningsuiting is echter niet absoluut, er zijn enkele beperkingen vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht. In artikel 137c wordt het opzettelijk beledigen van een groep mensen strafbaar gesteld. Belediging is echter een subjectief begrip en altijd in the eye of the beholder. Mensen die zich snel gekwetst voelen zouden elke dag naar de rechter kunnen stappen om zo de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting te bepalen. Dit kan nooit de bedoeling zijn en daarom wordt er in de praktijk ook zelden iemand veroordeeld voor belediging. Artikel 137d stelt het aanzetten tot haat of discriminatie strafbaar. De vraag is of de verantwoordelijkheid ligt bij degene die haat zaait, of bij degene die er daadwerkelijk naar handelt. Een autonoom persoon kan de beslissing nemen om de woorden van de haatzaaier naast zich neer te leggen, waardoor de zaaier niet zal oogsten.
Hieruit blijkt dat de in het Wetboek van Strafrecht verankerde grenzen aan de vrijheid van meningsuiting allerminst overtuigend zijn.

We kunnen vier vormen van racisme onderscheiden. Ten eerste racisme dat gekoppeld wordt aan een handeling. Dit valt onder discriminatie en wordt verboden door artikel 1 van de Nederlandse Grondwet. Ten tweede het aanzetten tot geweld of discriminatie tegen een bepaald ras. Dit is strafbaar gesteld in het nogal dubieuze artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht. Ten derde het beledigen van een bepaald ras. Dit is in theorie strafbaar volgens artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht, maar in de praktijk niet. Ten slotte het denkbeeld dat bepaalde rassen inferieur zijn aan andere rassen. Dit is niet verboden door de Nederlandse wet en kan op grond van artikel 7 van de Nederlandse Grondwet zelfs als een grondrecht gezien worden.

De overheid kan Zwarte Piet dus nooit verbieden omdat het racistisch zou zijn. Het is onwenselijk dat de staat probeert gedachten van mensen te verbieden of te beïnvloeden, ook al zijn bepaalde denkbeelden immoreel. Volgens de Engelse vrijheidsdenker John Stuart Mill is het essentieel dat er onware meningen verkondigd worden, omdat dit juist aanzet tot denken en helpt bij waarheidsvinding. De samenleving heeft de taak om deze onware meningen te weerleggen. Het is de plicht en verantwoordelijkheid van de samenleving om racistische gedachten onderuit te halen, zodat mensen zelf tot inkeer komen. Het verbieden van bepaalde denkbeelden is onmogelijk en zal een averechts effect hebben. Racisme is een grondrecht, namelijk het grondrecht om immorele gedachten te hebben.     

Jaap van Ark

Dit artikel verscheen eveneens op http://www.thepostonline.nl

In het opiniestuk van de Volkskrant van 20 maart 2013 ageert Kees van der Staaij, partijleider van de SGP, tegen de afschaffing van het verbod op smalende godslastering. Verbod op smalende godslastering? Ja, in het zogenaamd seculiere en liberale Nederland bestaat een verbod op godslastering.

Maar wat is godslastering? Wanneer voelt God zich gekwetst? Dat is nogal lastig te bepalen omdat wij niet dagelijks contact met hem hebben. Zou God zich echt gekwetst voelen als wij, nietige aardse ‘schepseltjes’, hem beledigen? Ik denk dat hij er om zou lachen. En als hij zich wel gekwetst zou voelen zou hij ons zelf straffen. Daar heeft de almachtige HEERE der heirscharen de Nederlandse regering echt niet voor nodig.

Het is dus vrij problematisch om te bepalen wanneer God zich gekwetst voelt. Het verbod op godslastering neemt dan ook de aanhangers van een bepaalde godsdienst in bescherming. Als gelovigen zich diep gekwetst voelen is er sprake van godslastering. Er wordt onderscheid gemaakt tussen gelovigen en niet-gelovigen, de eerstgenoemden krijgen een voorkeursbehandeling. Deze wet staat haaks op het in de Grondwet verankerde recht op gelijke behandeling. Daarnaast is de term ‘gelovige’ moeilijk te definiëren. Want wat is een gelovige? Ieder mens heeft een soort van levensovertuiging en is in die zin een gelovige. Christenen geloven in God, liberalen in vrijheid, empiristen in waarneming – en ga zo maar door. Een communist bijvoorbeeld, kan Karl Marx als God zien.

Deze wet discrimineert, is arbitrair, en geheel overbodig. Er zijn namelijk al wetten die perken stellen aan de vrijheid van meningsuiting. Het Wetboek van Strafrecht verbiedt het plegen van smaad(artikel 261), laster(artikel 262), belediging en groepsbelediging(artikel 266). In artikel 137d wordt zelfs het aanzetten tot haat, geweld of discriminatie – tegen wie dan ook – strafbaar gesteld. Ook deze wetten liggen overigens onder vuur omdat ze nogal arbitrair zijn. Degene die een uitspraak doet bepaalt niet of die uitspraak beledigend is, dat wordt bepaald door de ontvanger. Degene die het snelst op zijn of haar teentjes getrapt is, bepaalt de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Uiteraard kan dat nooit de bedoeling zijn in een samenleving waar vrijheid misschien wel het grootste goed is. De Britse schrijver George Orwell verwoordde het als volgt: “If liberty means anything at all, it means the right to tell people what they do not want to hear.” Vrijheid van meningsuiting is essentieel voor een goed werkende democratie. Niet alleen de mening van de meerderheid telt, maar ook een afwijkende, controversiële mening. Afwijkende meningen zetten ons aan het denken en gaan tegen ons kuddegedrag in.

Het beste argument om het verbod op smalende godslastering uit ons wetboek te halen kwam echter van Kees van der Staaij zelf. “De symboliek van deze afschaffing is: God moet verbannen worden uit onze wetgeving.” Daar slaat Kees de spijker op de kop: scheiding van kerk en staat. De staat dient zich niet te bemoeien met het geloof van haar burgers. Gelovigen hebben dezelfde rechten en plichten als andere burgers.

Om diezelfde reden kan de vrijheid van godsdienst uit de grondwet worden geschrapt. Zoals ik al eerder beredeneerde is godsdienst of geloof ondefinieerbaar, iedereen kan zichzelf gelovig vinden. Er is dus wederom sprake van discriminatie van niet-gelovigen op basis van onduidelijke gronden. Daarnaast is de vrije uitoefening van het geloof al gegarandeerd door de vrijheden van meningsuiting, vergadering en vereniging. Door de vrijheid van godsdienst uit de grondwet te halen verandert er in de praktijk helemaal niets, er is namelijk nog steeds vrijheid van godsdienst alleen op basis van een ander wetsartikel. Religie discrimineert per definitie en hoort niet thuis in onze wetgeving. Er zal geen discussie meer zijn over welk grondrecht belangrijker is: het recht om te discrimineren, oftewel vrijheid van godsdienst – of het recht op gelijke behandeling. Als we God verbannen uit onze wetgeving behandelen we iedereen als gelijken, en daar kunnen de meeste gelovigen nog veel van leren.

Jaap van Ark