Archief voor de ‘Politiek’ Categorie

Dit artikel verscheen in december 2014 eveneens in de wintereditie van de Studentenkortingskrant 

De Islamitische Staat beheerst al enkele maanden alle nieuwsuitzendingen. Met professionele video’s tonen de terroristen vol trots hun gruweldaden aan de wereld. Onthoofdingen van ongelovigen zijn aan de orde van de dag. In het Westen wordt vooral met afschuw gereageerd, maar ook hier wekt IS sympathie op bij sommigen. Wie zijn deze wrede strijders en hoe kunnen we ze bestrijden?

Het huidige jihadisme vindt zijn oorsprong in de jaren 80 van de vorige eeuw. De Sovjet Unie valt Afghanistan binnen en de Verenigde Staten besluiten de Afghanen te steunen in hun strijd tegen de Russen. Een vrij logisch besluit aangezien de Sovjet Unie op dat moment aartsvijand nummer één is, maar ook een besluit dat grote gevolgen zal hebben. Eén van de leiders van deze strijd is Osama Bin Laden die in 1988, mede dankzij de wapens van de Amerikanen, Al Qaeda opricht. Deze groepering stelt zich tot doel een islamitisch kalifaat te stichten en niet-islamitische regimes omver te werpen. Al Qaeda verwerft wereldwijde bekendheid door de aanslagen van 11 september 2001 waarbij bijna 3000 Amerikanen het leven laten. Hierop verklaart George W. Bush het islamitisch terrorisme de oorlog met de ferme woorden: “Either you are with us, or you are with the terrorists”, oftewel het is wij tegen zij. Het begin van een oorlog die door velen wordt gezien als een strijd van ‘het Westen’ tegen ‘de islam’.

Na de val van Saddam Hoessein in 2003 komt in Irak een sjiitisch bewind aan de macht en wordt het complete soennitische leger naar huis gestuurd. De sjiieten onderdrukken en discrimineren de soennieten en er komt steeds meer weerstand onder de getrainde werkloze militairen. De leider van het inmiddels geminimaliseerde Al Qaeda, Abu Bakr al-Bagdadi, maakt handig gebruik van de ontwikkelingen en richt de Islamitische Staat in Irak op om de soennitische Irakezen te beschermen en de ‘ware islam’ te verdedigen. In 2011 wordt het strijdtoneel verlegd naar Syrië waar een hevige burgeroorlog aan de gang is om Bashar al-Assad van de troon te stoten. Assad voert al jaren een schrikbewind tegen zijn eigen bevolking en met name de soennieten moeten het ontgelden. In de schaduw van deze burgeroorlog ontwikkelt IS zich tot een professionele, slagvaardige organisatie. Men onderscheidt zich van andere terreurorganisaties als Al Qaeda en Jahbat al Nusra door als een echt leger te opereren, met getrainde strijders die dezelfde uniformen dragen. De organisatie is met een geschat vermogen van 2 miljard dollar de rijkste terreurbeweging ter wereld en haalt haar inkomsten voornamelijk uit olie. IS sticht in juni 2014 een kalifaat en al-Bagdadi wordt uitgeroepen tot kalief, dat wil zeggen dat hij wordt gezien als opvolger van de profeet Mohammed. Het grondgebied van het kalifaat strekt zich uit over grote delen van Syrië en Irak, maar volgens IS moeten alle moslims de kalief erkennen. De Islamitische Staat heeft een officiële regering en heft belastingen. Binnen deze staat worden soennieten, die jarenlang zijn onderdrukt, goed behandeld. Ongelovigen daarentegen worden dagelijks gediscrimineerd, mishandeld en vermoord. Dit zijn met name sjiieten, yezidi’s en christenen. Ondertussen kijkt het Westen toe.

Dit verandert als IS video’s van onthoofdingen van Westerlingen openbaar maakt. De Amerikanen James Foley en Steven Sotloff  en de Britten David Haines en Alan Henning  worden voor het oog van de wereld op beestachtige wijze van het leven beroofd. De boodschap is duidelijk: we zijn voor niemand bang en geen ongelovige is veilig. Het is ook een duidelijke provocatie, een uitnodiging aan het Westen om zich te mengen in deze oorlog. Een uitnodiging waar Barack Obama dan ook geen nee tegen kan zeggen: “When people harm Americans anywhere, we do what is necessary to see the justice is done. And we act against ISIL, standing alongside others”. In september 2014 begint de zogenaamde coalition of the willing, waaronder Nederland, met het bombarderen van IS-doelwitten.

De vraag die rijst is of het jihadisme uit te roeien is met bombardementen. Het antwoord is nee, en dat weet Obama ook. Maar heeft Obama een keuze? Er worden Amerikaanse staatsburgers voor het oog van de hele wereld op gruwelijke wijze gedood. Het Amerikaanse volk voelt zich in haar ziel aangevallen. De wereld kijkt naar de VS: dit kan zo’n machtig land niet laten gebeuren. Iedereen verwacht harde maatregelen. Er is hier sprake van een CNN-effect: de hele wereld heeft kunnen zien wat er gebeurd is, dus moet Obama wel ingrijpen. Doet hij dat niet dan wordt hem slecht leiderschap verweten en zal de rest van de wereld zich afvragen of de VS nog wel een supermacht is.
IS zou idealiter bestreden moeten worden via geheime operaties. De kopstukken van de organisatie dienen te verdwijnen zonder dat de rest van de wereld het doorheeft. Maar het ‘vrije Westen’ wil zichtbare actie en voldoet daarmee aan de wensen van IS. Moslimfundamentalisten zullen zich gesterkt voelen in hun visie dat het Westen de islam wil vernietigen en de populariteit van het jihadisme zal alleen maar toenemen. Sinds de bombardementen zoeken andere terreurorganisaties als Al Qaeda en Jahbat al Nusra toenadering tot IS om samen te strijden tegen de gemeenschappelijke vijand, het Westen. De Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington waarschuwde in 1993 al voor een botsing tussen het Westen en de islamitische wereld. Het Westen heeft de gewoonte om haar denkbeelden en belangen aan andere beschavingen op te dringen terwijl daar helemaal geen behoefte aan is. Het recente verleden leert ons dat het jihadisme juist garen spint bij oorlogen in het Midden-Oosten. Huntington lijkt helaas gelijk te krijgen, het moslimfundamentalisme bloeit als nooit tevoren mede dankzij het Westen. IS zal misschien verslagen worden maar het jihadisme zal alleen maar groeien.

Jaap van Ark

Luttele seconden nadat ik uit solidariteit en in mijn emotie een spotprent van de profeet Mohammed op mijn Facebook-pagina plaatste, schoot het even door mijn hoofd: misschien is er wel een gek die dit ziet en een daad wil stellen. Ben ik bereid mijn leven te geven voor het vrije woord? Het antwoord moet ik schuldig blijven, maar het feit dat ik deze vraag stel zegt genoeg. De aanslag op Charlie Hebdo is veel meer dan 12 doden. Er is lef voor nodig om de profeet belachelijk te maken. En waar lef is, is angst.

Nu is het helemaal niet mijn ding om gevoelens van mensen te kwetsen zonder daarbij een doel te dienen. Ik ben een christelijk atheïst, dus ik richt me in mijn kritieken vooral op het christendom, domweg omdat ik de destructieve werking van die religie heb ervaren en goed ken. Ik probeer niet te vloeken, vooral niet in het bijzijn van mijn vader omdat ik weet dat ik hem daarmee verdriet doe. Maar ik ga wel met hem in discussie, ik probeer hem wel met argumenten aan het denken te zetten. Ik weet dat ik christenen kwets door soms keihard te ageren tegen hun religie, maar dat doe ik altijd met een ‘hoger’ doel. Ik neem geen blad voor de mond, ik ben soms ver gegaan, maar ik ben nooit bedreigd. Veel verder dan verwijtende opmerkingen, blikken of geen blikken is het niet gekomen.

Ik ben altijd wat terughoudender geweest in mijn kritiek op de islam, domweg omdat ik er minder van weet. Of ben ik diep van binnen toch bang? Zowel het christendom als de islam zijn religies die tegen alles ingaan waar wij in het ‘vrije Westen’ voor staan. Deze religies zijn volkomen intolerant tegenover andersdenkenden. En dan heb ik het over de fundamentalistische vorm zoals beschreven in de Bijbel en de Koran. Met name ongelovigen moeten het in deze heilige boeken ontgelden en geweld wordt daarbij niet geschuwd. Nu is het grote verschil tussen het christendom en de islam dat het christendom door de verlichting is gegaan. Westerse waarden hebben in meer of mindere mate een plekje gekregen binnen het christendom. Het christendom heeft haar scherpe kantjes verloren, maar deze groeien er bij de islam dubbel zo hard weer aan. Uit onderzoek van professor Ruud Koopmans blijkt dat ongeveer 45% van de West-Europese moslims een fundamentalist is, tegenover 5% van de West-Europese christenen.

Helaas blijkt uit dit onderzoek niet hoeveel moslims daadwerkelijk bereid te zijn geweld te gebruiken, dus daar ligt een uitdaging voor toekomstig onderzoek. Wat uit dit onderzoek wel blijkt is dat deze 45% de Koran letterlijk neemt en de religieuze wetten boven de seculiere, nationale wetten stelt. Uiteraard is lang niet iedere fundamentalist bereid om geweld te gebruiken, maar zij zijn er wel gevoelig voor. Ik weet dat ik me niet te veel moet aantrekken van wat er op de krochten van het internet wordt gezegd, maar vele reacties schokken mij wel degelijk. Aan de ene kant groepen die de aanslagen toejuichen en vinden dat de cartoonisten erom vroegen. Aan de andere kant groepen die moskeeën in brand willen steken en alle moslims het land uit willen trappen. En misschien nog wel gevaarlijker: de intellectuele Foucault-knuffelaars die alles als een groot complot zien van de machthebbenden. Als we niet meer geloven wat we dagelijks zien gebeuren, hoe kunnen we dan ooit de problemen aanpakken?

Ik liep, toen de lijken nog warm waren, aangeslagen een werkgroep Politicologie binnen op de UvA en er werd met geen woord over de aanslag gesproken. Er was zojuist een aanslag gepleegd op de persvrijheid, op de vrijheid van meningsuiting, op alles waar wij voor staan – en iedereen zweeg! We hebben het hier …verdomme over politicologen! Wetenschappers die bezig zouden moeten zijn de grootste bedreiging voor onze maatschappij op te lossen. Maar nee, laten we het vandaag voor de verandering eens over ongelijkheid hebben.
Ik hoop toch echt dat we inmiddels de naïviteit voorbij zijn door te denken dat het hier gaat om een kleine groep gekken. Deze aanslag is geen incident en het zal hier niet bij blijven, word wakker! Tijdens het schrijven van dit stuk druppelt het nieuws binnen dat de islamitische terreurorganisatie Boko Haram in Nigeria op brute wijze 2000 mensen heeft afgeslacht, voornamelijk vrouwen en kinderen. Het houdt niet op, niet vanzelf. Bij deze een oproep aan alle sociale- en geesteswetenschappers: laten we ons bezig houden met het grootse vraagstuk van de huidige tijd. Wat moeten we met de fundamentalistische, of zo u wilt, extremistische islam?

@jaap_v_ark

En de winnaar is… de heer Wilders

Geplaatst: november 6, 2014 in Politiek

Dit artikel verscheen eveneens op http://www.freshpost.nl/  en http://www.sk2.nl 

Geert Wilders wordt waarschijnlijk vervolg voor zijn uitspraken aangaande Marokkanen. Hij wordt verdacht van het beledigen op grond van ras en het aanzetten tot haat en discriminatie. Een overwinning voor iedereen die even triomfantelijk als naïef aangifte deed zo lijkt het, maar het tegendeel is waar. Zelfs als Wilders daadwerkelijk veroordeeld wordt zal hij de grote winnaar van dit proces zijn.

“Ik mag het eigenlijk niet zeggen, want er wordt aangifte tegen je gedaan. En misschien zijn er zelfs D66-officieren die ons een proces aandoen. Maar de vrijheid van meningsuiting is een groot goed. (…) Dus ik vraag aan jullie: willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Marokkanen?” Deze uitspraak, inclusief voorspelling wat hem te wachten staat, deed Wilders in maart dit jaar. Zijn voorspelling kwam uit en hij kon niet wachten om met een spitsvondig statement naar buiten te komen: “Het is schandelijk, terwijl de wereld in brand staat richt het OM zijn pijlen op een volksvertegenwoordiger die problemen benoemt. Het OM kan zijn tijd beter besteden door zich meer te richten op de Nederlandse Syriëgangers die voor meer dan driekwart uit Marokkanen bestaat. Dit is de wereld op zijn kop.” Een schoolvoorbeeld van een populistische reactie waar het merendeel van zijn potentiële achterban het volledig mee eens zal zijn (lees hier meer over het populisme van Wilders: https://jaapvanark.wordpress.com/2014/07/11/populisme-spanningsveld-tussen-democratie-en-rechtsstaat/) . Met andere woorden, deze vervolging zal hem electoraal gezien geen windeieren leggen. Wilders weet als geen ander om te gaan met het sentiment van het moment.

Toen Wilders de bewuste uitspraken deed was ik als zo velen diep verontwaardigd. Hoe kun je een hele bevolkingsgroep zo schofferen en wegzetten? De islam als religie en ideologie bestrijden kan ik nog inkomen, religie is namelijk een ‘keuze’, en wat mij betreft een verkeerde keuze. Maar mensen op afkomst veroordelen is ontzettend fout. Ik voelde plaatsvervangende schaamte en probeerde me in te leven hoe het was om op dat moment Nederlander met Marokkaanse roots te zijn. Het gevoel dat je elke dag keihard je best doet om als volwaardig Nederlander te worden beschouwd, maar nog steeds als ‘kutmarokkaan’ wordt afgeschilderd. Ik weet niet hoe het voelt, maar ik kan me er wel een voorstelling van maken.

Toch heb ik me misschien nog wel meer geërgerd aan de mensen die en masse naar het politiebureau renden om aangifte te doen en dit vervolgens rondbazuinden tegen iedereen die het (niet) wilde horen. “Kijk mij eens een moreel superieur mens zijn, ik doe aangifte als ik het ergens niet mee eens ben”. Niet beseffende dat ze daarmee Wilders wederom de slachtofferrol gaven die hem zo goed ligt. Het grootste bezwaar wat ik heb tegen deze gedachtenpolitie is echter dat men op basis van gekwetst voelen mensen monddood probeert te maken. Het is onwenselijk en onmogelijk om gedachten te verbieden, ook al zijn deze gedachten totaal immoreel. De taak om foute uitspraken te weerleggen ligt niet bij de rechter, maar bij de samenleving. Deze handschoen werd dan ook door andere politici en zelfs partijgenoten van Wilders opgenomen. Zijn uitspraken werden terecht walgelijk genoemd en een aantal ‘vooraanstaande’ PVV’ers had genoeg van de grote leider. De PVV wankelde en zelfs Wilders leek geschrokken.

Hoe anders is het ruim een half jaar later. Wilders wordt hoogstwaarschijnlijk vervolgd voor het beledigen van een groep en het aanzetten tot haat op grond van artikel 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht. Twee nogal discutabele artikelen omdat belediging zeer subjectief is en ‘aanzetten tot haat’ bij wet verboden is terwijl ‘haat’ op zichzelf staand niet verboden is. De grens van de vrijheid van meningsuiting moet wat mij betreft dan ook liggen bij het oproepen tot geweld. In een liberale samenleving is het essentieel dat we elkaar met het woord kunnen bestrijden op het gebied van ideeën. Als iemand foute ideeën heeft moet hij of zij deze kunnen uitspreken zodat deze met goede argumenten bestreden kunnen worden. Je verandert geen gedachten door simpelweg te straffen. Hoe zeer ik zijn uitspraken ook verafschuw, ik hoop dat de heer Wilders wordt vrijgesproken. Of hij nu veroordeeld wordt of niet, hij zal door zichzelf en door zijn potentiële achterban gezien worden als voorvechter van het vrije woord. Wat de uitkomst ook moge zijn, de winnaar is… de heer Wilders.

@jaap_v_ark

Inleiding

Het populisme is de laatste jaren sterk in opkomst in Westerse democratieën. Partijen als Front National en UKIP hebben tijdens de Europese parlementsverkiezingen eclatante overwinningen behaald. In Nederland is, met de opkomst van Pim Fortuyn en heden ten dage Geert Wilders, het populisme ook aan een opmars bezig. Onder academici lijkt geen duidelijke consensus over de gevolgen van deze ontwikkeling. Sommigen zien het populisme als inherent aan de democratie, anderen juist als een bedreiging voor de democratie. Essentieel in deze discussie is welke vorm van democratie men voor ogen heeft. De vorm van democratie wordt met name bepaald door de verhouding tussen democratie en rechtsstaat. In dit paper analyseer ik de rol die de opkomst van het populisme speelt in die verhouding. De centrale vraag luidt dan ook als volgt: Welke invloed heeft de opkomst van het populisme op  de verhouding tussen democratie en rechtsstaat in Nederland?
Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst helder krijgen wat precies wordt bedoeld met populisme. Vervolgens zal ik conceptualiseren wat de verhouding tussen democratie en rechtsstaat precies is en hoe deze idealiter zou moeten zijn. In de analyse zal ik kijken of er daadwerkelijk sprake is van populisme en zo ja, welke omvang dit populisme heeft. Aan de hand daarvan zal ik de invloed die het populisme heeft op de verhouding tussen democratie en rechtsstaat analyseren.

 

Theoretisch kader

Populisme
Het begrip populisme is populair in de hedendaagse literatuur. Toch geven de verschillende definities aan dat het kennelijk onmogelijk is om tot een eenduidige en expliciete definitie te komen. Het gaat hier om een wezenlijk omstreden begrip, dat wil zeggen dat de betekenis door meerdere relevante en soms normatieve aspecten bepaald wordt. Volgens Canovan (1999, p. 3) is populisme “an appeal to ‘the people’ against both the established structure of power and the dominant ideas and values of society”, Mudde (2004, p.  543) omschrijft het als “an ideology that considers society to be ultimately separated into two homogeneous and antagonistic groups, ‘the pure people’ versus ‘the corrupt elite’, and which argues that politics should be an expression of the volonté générale (general will) of the people”. Albertazzi en McDonnell (2008, p. 3) ten slotte, hebben het over “an ideology which pits a virtuous and homogeneous people against a set of elites and dangerous ‘others’ who are together depicted as depriving (or attempting to deprive) the sovereign people of their rights, values, prosperity, identity, and voice”. Deze drie definities hebben gemeen dat ze populisme zien als een stroming die ‘het volk’ afzet tegen ‘de elite’. Albertazzi en McDonnell voegen hier nog de groep ‘de anderen’ aan toe. Door het toevoegen van ‘de anderen’, waarmee immigranten worden bedoeld, wordt duidelijk over welke vorm van populisme het hier gaat, namelijk xenofobisch populisme. Deze vorm van populisme richt zich vooral op immigratie, criminaliteit en corruptie (Mudde en Kaltwasser, 2013). Met name dit xenofobisch populisme is de laatste jaren in opkomst in West-Europa, daarom wordt in het vervolg van dit paper vooral uitgegaan van de definitie van Albertazzi en McDonell. Er is sprake van een antagonistische relatie tussen ‘het volk’, ‘de elite’ en ‘de anderen’. De populisten stellen dat zij opkomen voor de belangen van ‘het volk’ en zijn daarmee automatisch tegen ‘de elite’ en de ‘anderen’. Zij suggereren dat er een volonté générale bestaat, oftewel een algemene volkswil. Er wordt een wij/zij tegenstelling gecreëerd tussen ‘het volk’ enerzijds en ‘de elite’ en ‘de anderen’ anderzijds (De Lange en Rooduijn, 2011).

 

Democratie en rechtsstaat
“Regering van het volk, door het volk, voor het volk”, zo definieerde Abraham Lincoln democratie ooit. Als we van deze definitie uitgaan is populisme misschien wel de vorm van politiek die directe democratie het meest benadert. West-Europa kent echter geen directe democratie, maar een liberale representatieve democratie. Een directe democratie is praktisch niet haalbaar, vandaar een representatieve democratie, maar waar het hier om gaat is het predicaat liberaal.
In een liberale democratie speelt de rechtsstaat een belangrijke rol. Thomassen omschrijft het als volgt: “liberal democracy, of de democratische rechtsstaat zoals wij liever zeggen, wordt gekenmerkt door een precaire balans tussen de beginselen van de rechtsstaat enerzijds en die van de democratie, maar dan begrepen in zijn beperkte betekenis van regering door het volk, anderzijds” (2011, p. 5). In een rechtsstaat wordt de macht van de overheid ingeperkt door wetten, dit idee staat in nauw verband met grondrechten en mensenrechten. Ook de overheid moet zich dus houden aan de geldende wetten, dit om machtsmisbruik te voorkomen. De staat mag de rechten en vrijheden van burgers niet zomaar beperken of afpakken. De drie kenmerken die aan de rechtsstaat worden toegeschreven zijn: 1. de heerschappij van de wet, 2. de scheiding der machten, waaronder de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en 3. de waarborging van de klassieke grondrechten (Wilders tast fundament rechtsstaat wel aan, 2010). Het belangrijkste doel van de rechtsstaat is het beschermen van individuen en minderheden tegen de macht van de meerderheid.
Aangezien het populisme uitgaat van een algemene volkswil is er in het populisme weinig ruimte voor  minderheden. De algemene volkswil is immers de wil van de meerderheid en deze is per definitie juist. Volgens Kornhauser (1959) spreken we van een liberale democratie als in een land zowel de democratie als de rechtsstaat sterk zijn ontwikkeld. Als de democratie sterk is ontwikkeld en de rechtsstaat zwak, is er sprake van een populistische democratie. Een sterke rechtsstaat en een zwakke democratie leidt tot een aristocratie. Bij een zwakke ontwikkeling van beide ten slotte, spreekt Kornhauser van een autocratie. Essentieel in deze is dus de verhouding tussen democratie en rechtsstaat. Zoals in de typologie van Kornhauser te zien is, vormt populisme geen bedreiging voor de democratie, maar wel voor de rechtsstaat. Dit komt met name doordat, zoals eerder vermeldt, populisten de wil van de minderheid als onjuist zien, terwijl de rechtsstaat juist als doel heeft deze minderheid te beschermen. Daarnaast is populisme vooral gebaseerd op directe democratie, de rechtsstaat met zijn constituties is voor veel populisten vooral een sta-in-de-weg (Thomassen, 2011, p.6). In Nederland is sprake van een sterke rechtsstaat en een sterke democratie, de vraag is echter in hoeverre het opkomende populisme deze verhoudingen kan verstoren. Kan het populisme redelijkerwijs in staat worden geacht de rechtsstaat zo te verzwakken dat Nederland van een liberale democratie naar een populistische democratie gaat? Om deze vraag te kunnen beantwoorden is een analyse van het populisme in Nederland nodig.


Analyse

Populisme in Nederland
Als er in Nederland één partij als populistisch wordt geprofileerd is het wel de Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders. De vraag is of deze profilering juist is. Als de PVV een populistische partij is moet ze voldoen aan de eerder genoemde criteria. Er moet sprake zijn van een wij/zij tegenstelling tussen ‘het volk’ enerzijds en ‘de elite’ en ‘de anderen’ anderzijds. Wilders gebruikt niet vaak letterlijk de zinsnede ‘het volk’, volgens Lucardie is hij voor deze retoriek te veel liberaal gebleven (2007, p. 180). Wel gebruikt hij termen als ‘de gewone mensen’ en ‘de burgers’. Daarnaast haalt Wilders vaak Henk en Ingrid aan als afspiegeling van het gewone volk. In het voorwoord van het verkiezingsprogramma van de PVV 2010-2015 staat het volgende: De multiculturele nachtmerrie die ons wordt aangedaan kunnen we en willen we niet als een vaststaand feit aanvaarden. Het Nederlandse volk heeft niet om de massa-immigratie gevraagd en moet daar dan ook niet de prijs voor betalen. De schuld ligt niet bij Henk en Ingrid. De schuld ligt bij de linkse elites die denken dat de wereld er uit ziet als Woodstock (Verkiezingsprogramma PVV, 2010, p. 7). Dit voorwoord is geschreven door de voorzitter van de PVV, genaamd Geert Wilders. Hij heeft het over ‘het Nederlandse volk’, ‘massa-immigratie’ en ‘de linkse elites’. Aan alle criteria van xenofobisch populisme wordt voldaan. De vraag of de PVV een populistische partij is kan volgens eerder genoemde definities dus volmondig met ja worden beantwoord.
Een andere partij die in mindere mate als populistisch wordt geprofileerd is de Socialistische Partij (SP). De SP voldoet in zekere zin wel aan het criterium van de tegenstelling tussen ‘het volk’ en ‘de elite’, maar zet zich minder af tegen ‘de anderen’. Hoewel de partij kritisch is ten opzichte van verdergaande Europese integratie, wordt het economisch neoliberalisme als voornaamste vijand afgeschilderd. Er is hier dus geen sprake van xenofobisch populisme zoals eerder gedefinieerd, maar meer van sociaal populisme. Daarnaast maakt de SP volgens De Lange en Rooduijn (2011) steeds minder gebruik van een anti-establishment discours. Het populisme in Nederland moet dus vooral gezocht worden bij de PVV.

 

De omvang van het populisme in Nederland
Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van populisme in Nederland. De vraag is echter of het populisme genoeg slagkracht heeft om een serieuze bedreiging te vormen voor de rechtsstaat. Hoeveel aanhang heeft de PVV en blijft het populisme beperkt tot deze partij of is er sprake van een populistische tijdgeest? De eerste vraag is vrij makkelijk te beantwoorden door de recente peilingen te raadplegen. In deze peilingen krijgt de PVV 22 van de 150 zetels toebedeeld, dat is 14,7 procent van het geheel. Momenteel zegt 14,7 procent van de Nederlandse kiesgerechtigden dus haar stem te geven aan een populistische partij. Het aantal PVV- stemmers is de laatste jaren vrij stabiel, bij de Tweede Kamer verkiezingen van 2010 kreeg de PVV 15,5 procent van de stemmen (‘Databank Verkiezingsuitslagen’, z.j.). Er is dus sprake van een lichte afname en zeker geen explosieve groei. Uit deze gegevens valt te concluderen dat een vrij klein gedeelte van de Nederlandse bevolking op een xenofobisch populistische partij stemt en dat het niet aannemelijk is dat dit in de komende jaren explosief zal toenemen.
Dan naar de tweede vraag: blijft het populisme beperkt tot de PVV of is er sprake van een populistische tijdgeest? Volgens Mudde (2004, p. 542) is er sprake van een populistische ‘Zeitgeist’: “today populist discourse has become mainstream in the politics of western democracies”. Deze stelling wordt echter enkel onderbouwd met enkele voorbeelden uit Groot-Brittannië. Een nogal mager bewijs voor een gedurfde stelling. De Lange en Rooduijn (2011) stellen dan ook dat het te kort door de bocht is om te spreken van een populistische tijdgeest. Uiteraard gaat het electorale succes van de PVV ten koste van de gevestigde partijen en dienen deze partijen daarop te reageren. Dit zouden ze kunnen doen door zelf populistisch te worden, maar dit gebeurt nauwelijks. Volgens de Lange en Rooduijn (2011) spreken de gevestigde partijen de kiezer wel directer aan, maar zetten zij zich niet af tegen het establishment. De aanhang van (rechts) populistische partijen groeit, maar dit heeft niet tot gevolg dat de gevestigde partijen daarmee het populisme overnemen. Uit deze gegevens valt hooguit de conclusie te trekken dat de retoriek van de gevestigde partijen populairder is geworden, maar er lijkt geen sprake te zijn van een populistische ‘Zeitgeist’.

 

De invloed van het populisme
Zoals eerder vermeld is er sprake van een spanningsveld tussen het populistische gedachtegoed enerzijds en de rechtstatelijke  principes die ten grondslag liggen aan de liberale democratie anderzijds. Deze spanning hoeft geen probleem te vormen als het populisme beperkt blijft tot kleine groeperingen die weinig invloed uitoefenen (Mény en Surel, 2002, p. 19). Eerder zijn al de conclusies getrokken dat de PVV de laatste jaren nauwelijks groeit en dat er geen sprake lijkt te zijn van een populistische ‘Zeitgeist’. Nu rijst de vraag of de opvattingen van de PVV daadwerkelijk botsen met de fundamenten van de rechtsstaat en in hoeverre deze opvattingen de rechtsstaat kunnen aantasten. Dit zullen we bekijken aan de hand van twee casussen. Ten eerste de uitspraak van Geert Wilders aangaande minder Marokkanen.
Tijdens een bijeenkomst voor de gemeenteraadsverkiezingen begin 2014 kwam hij in opspraak door zijn ‘minder-Marokkanen-uitspraak’ (‘Wilders laat publiek scanderen: ‘Wij willen minder Marokkanen’’, 2014). Wilders vroeg aan zijn aanhang: “Willen jullie meer, of minder Marokkanen?”. Waarop de PVV’ers in de zaal minder, minder, minder scandeerden. Deze uitspraak is een schoolvoorbeeld van xenofobisch populisme dat met de grondbeginselen van de rechtsstaat tart. Een bepaald gedeelte van ‘het volk’ verzoekt ‘de anderen’ vriendelijk te vertrekken uit ‘hun’ land. De minderheid, Marokkanen, wordt in die zin dus bedreigd. Wilders weet echter ook wel dat het onmogelijk is om een bepaalde bevolkingsgroep zomaar het land uit te zetten, de rechtsstaat voorkomt dat immers. Later nuanceerde hij zijn uitspraak dan ook door te zeggen dat hij op criminele Marokkanen doelde. Vanuit heel Nederland werd verontwaardigd gereageerd op de uitspraken van Wilders. Met name vanuit de politiek werd meteen afstand genomen, geen van de andere partijen toonde ook maar enig begrip voor de uitspraken. Onder de bevolking waren de meningen minder eensgezind. Uit een peiling van Maurice de Hond bleek dat 44 procent van de Nederlanders het eigenlijk wel met Wilders eens was (‘Minder Marokkanen leeft veel minder onder jongeren’, 2014). Anderen besloten massaal aangifte te doen tegen Wilders, wat weer een discussie deed oplaaien over de grenzen aan het in de rechtsstaat verankerde recht op vrijheid van meningsuiting. Dit geeft aan hoe precair de situatie van de rechtsstaat is. Enerzijds dient de rechtsstaat op te komen voor minderheden, anderzijds dient ze op te komen voor het vrije woord.  De massale afkeur vanuit de gevestigde politieke partijen op de uitspraak van Wilders geeft aan dat er in de politiek weinig ruimte is voor xenofobisch populisme. Het feit dat er nog geen massale uittocht van Marokkaanse Nederlanders plaatsvindt geeft aan dat het vooral bij controversiële uitspraken blijft. Wilders ziet zichzelf juist als een voorvechter van de vrijheid van meningsuiting, één van de belangrijkste grondrechten van de rechtsstaat. Deze kwestie laat zien wat het belang is van een degelijke rechtsstaat, maar ook dat bepaalde in de rechtsstaat vastgelegde grondrechten moeilijk met elkaar te rijmen zijn. Enerzijds is Wilders een tegenstander van de bescherming van minderheden die de rechtsstaat voor ogen heeft, anderzijds is hij een voorvechter van de vrijheid van meningsuiting.
De tweede casus behandelt de houding van de PVV ten opzichte van de onafhankelijke rechterlijke macht. In het verkiezingsprogramma van de PVV 2010-2015 valt het volgende te lezen: Niet alleen politici moeten gekozen worden, maar ook de rechters en de officieren van justitie. De beste manier om een eind te maken aan de wereldvreemdheid van rechters is niet alleen het invoeren van minimumstraffen, maar ook de democratisering van de rechterlijke macht. Reken maar dat hun straffen dan een stuk meer in lijn zullen zijn met hoe de burgers er over denken (Verkiezingsprogramma PVV, 2010, p. 17). Hieruit valt duidelijk op te maken dat de PVV een einde wil maken aan de scheiding tussen de wetgevende en de rechterlijke macht. Democratisering van de rechterlijke macht betekent dat de meerderheid bepaalt hoe er gestraft moet worden. De PVV is dus tegen de in de rechtsstaat verankerde scheiding der machten en de daaruit volgende onafhankelijke rechtspraak. Ook wordt hier wederom gesuggereerd dat er sprake is van een volonté générale. De opvattingen van de PVV aangaande de rechterlijke macht worden echter door geen enkele andere politieke partij gedeeld.
De populistische retoriek van Wilders botst dus vooral op het gebied van de scheiding der machten en de onafhankelijke rechtspraak met de grondbeginselen van de rechtsstaat. Wat betreft de klassieke grondrechten legt de partij de accenten op andere aspecten van de rechtsstaat, namelijk alleen op die aspecten die haar het beste uitkomen. De invloed van de PVV is echter te klein om daadwerkelijk een bedreiging voor de rechtsstaat te vormen. Er vinden onder invloed van Wilders wel degelijk discussies omtrent de rechtsstaat plaats, maar deze discussies vinden vooral plaats binnen het domein van de rechtsstaat. De precaire verhouding tussen democratie en rechtsstaat lijkt dus niet zozeer in het geding, hoogstens hoe invulling te geven aan de rechtsstaat in dynamische tijden.

 

Conclusie


Het blijkt dat er in Nederland wel degelijk sprake is van xenofobisch populisme. Dit populisme wordt echter enkel vertegenwoordigd door de PVV en trekt om en nabij 15 procent van het totale electoraat. De PVV is de laatste jaren nauwelijks gegroeid en het lijkt ook niet aannemelijk dat de partij de komende jaren explosief zal groeien. Het populisme blijft in Nederland enkel beperkt tot één partij, er is dus geen reden om aan te nemen dat er sprake is van een populistische ‘Zeitgeist’ in Nederland. Uit de analyse blijkt dat bepaalde opvattingen van de PVV rechtstreeks tegen de beginselen van de rechtsstaat ingaan. Wilders pleit in zijn verkiezingsprogramma voor het afschaffen van de scheiding tussen de wetgevende en de rechterlijke macht en daarmee keert hij zich tegen de onafhankelijke rechtspraak. Daarnaast gaat hij met zijn retoriek in tegen de kern van de rechtsstaat, namelijk de bescherming van minderheden. Uit de praktijk blijkt echter dat dit bij retoriek blijft. De invloed die de populisten hebben is te klein om een serieuze bedreiging te vormen voor de rechtsstaat.     Daarnaast ziet Wilders zichzelf juist als een voorvechter van de in de rechtsstaat vastgelegde vrijheid van meningsuiting. De discussie die het opkomende populisme losmaakt is dus vooral gebaseerd op welke aspecten van de rechtsstaat moeten prevaleren.
Volgens rechtsfilosoof Paul Cliteur is het echter te veel eer om het ontstaan van deze discussie volledig aan het populisme toe te schrijven, ook de multiculturele samenleving en de Europese wetgevingen spelen hierin een belangrijke rol. Onze rechtsstaat is de laatste decennia onder druk komen te staan door de multiculturele samenleving en de Europese wetgeving, zo stelt hij. Ironisch genoeg zijn dit juist ‘de anderen’ waar populist Wilders voor waarschuwt. Dit zou een interessante invalshoek kunnen zijn voor een vervolgonderzoek.
De conclusie van dit literatuuronderzoek is dat het populisme weinig invloed lijkt te hebben op de verhouding tussen democratie en rechtsstaat in Nederland. Hoogstens draagt het opkomende populisme bij aan een hernieuwde discussie over de staat van de rechtsstaat.

 

 

Literatuur

Boeken en artikelen

–          Albertazzi, D. en D. McDonnell (2008) ‘Introduction: The sceptre and the spectre’ in D. Albertazzi en D. McDonnell (red.) Twenty-First Century Populism. The Spectre of Western European Democracy. Londen: Palgrave, blz. 1-11.

–          Canovan, M. (1999) Trust the People! Populism and the two faces of Democracy. Political Studies 47 (1): 2-16.

–          Kornhauser, W. (1959) The Politics of Mass Society. Glencoe: The Free Press

–          Lange, S.L. de en Matthijs Rooduijn (2011) Een populistische tijdgeest in Nederland? Een inhoudsanalyse van de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen. In: Andeweg, R. en Thomassen, J. (red.) (2011) Democratie doorgelicht. Het functioneren van de Nederlandse democratie. Leiden: Leiden University Press (pp. 319-334).

–          Lucardie, P. (2007) Rechts-extremisme, populisme  of democratisch patriottisme? Opmerkingen over de politieke plaatsbepaling van de Partij voor de Vrijheid en Trots op Nederland.

–          Mény, Y. en Y. Surel (2002) ‘The constitutive ambiguity of populism’ in Y. Mény en Y. Surel (red.) Democracies and the Populist Challenge. Londen: Palgrave, blz. 1-21.

–          Mudde, C. en Kaltwasser C.R. (2013) Populism

–          Mudde, C. (2004) The Populist Zeitgeist. Government & Opposition 39(3) : 541-563.

–          Thomassen, J. (2011) Populisme: Verrijking of bedreiging van de democratie?

–          Verkiezingsprogramma PVV (2010) De agenda van hoop en optimisme. Een tijd om te kiezen: PVV 2010-2015

Websites

–          Databank Verkiezingsuitslagen (z.j.). Opgevraagd op 19 juni 2014 van  http://www.verkiezingsuitslagen.nl/Na1918/Verkiezingsuitslagen.aspx?VerkiezingsTypeId=1

–          Minder Marokkanen leeft veel minder onder jongeren (2014) Opgevraagd op 19 juni 2014 van http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/3647450/2014/05/03/Minder-Marokkanen-leeft-veel-minder-onder-jongeren.dhtml

–          Wilders laat publiek scanderen: ‘Wij willen minder Marokkanen’ (2014). Opgevraagd op 19 juni van http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2784/Verkiezingen/article/detail/3618750/2014/03/20/Wilders-laat-publiek-scanderen-Wij-willen-minder-Marokkanen.dhtml

–          Wilders tast fundament rechtsstaat wel aan (2010). Opgevraagd op 25 juni van
http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/archief/article/detail/1020477/2010/08/14/Wilders-tast-fundament-rechtsstaat-wel-aan.dhtml

 


Studeren moet weer elitair worden

Geplaatst: juli 11, 2014 in Politiek

Dit artikel verscheen eveneens in de zomer-editie van de StudentenKortingskrant en op http://www.sk2.nl 

Het merendeel van de studenten heeft tijdens de gemeenteraadsverkiezingen en de Europese verkiezingen weer braaf op D66 gestemd. Uiteraard beloont de partij haar jeugdige kiezers rijkelijk voor dit vertrouwen, de studiefinanciering zal namelijk worden afgeschaft. Zichzelf profileren als onderwijspartij en ondertussen doodleuk de drempel tot dat onderwijs verhogen, zo rolt D66. Voor jongeren die geen rijke pappie en mammie hebben wordt studeren haast onmogelijk gemaakt. Hallo, economische elite. Doei, opwaartse sociale mobiliteit. Of ligt het iets genuanceerder? 

De regeringspartijen VVD en PvdA hebben met de oppositiepartijen D66 en GroenLinks een akkoord bereikt over het invoeren van een sociaal leenstelsel. De basisbeurs, voor uitwonende studenten zo’n 280 euro, wordt met ingang van 1 september 2015 afgeschaft en vervangen door een sociaal leenstelsel. Vervolgens krijgt de student 35 jaar om de opgebouwde studieschuld naar draagkracht af te lossen. De aanvullende beurs voor studenten met minder draagkrachtige of weigerachtige ouders wordt verhoogd met maximaal 100 euro. De vraag is echter wat het criterium is voor ‘weigerachtig’ en hoe dit gecontroleerd gaat worden. Het geld wat de staat met deze maatregelen bespaart zal geïnvesteerd worden in de kwaliteit van het onderwijs. Echter is duidelijk dat de student er in de nieuwe situatie financieel gezien flink op achteruit gaat.

Als er één middel is om ongelijkheid op een legitieme manier te bestrijden dan is het wel via onderwijs. In een ideale wereld heeft iedereen gelijke kansen op onderwijs. Helaas is dat in de praktijk niet zo, want er zijn veel factoren die dit beïnvloeden. Iemand met hoogopgeleide ouders zal waarschijnlijk eerder gaan studeren dan iemand met laagopgeleide ouders, omdat het van hem of haar verwacht wordt. Daarnaast is het van belang of iemands vrienden ook gaan studeren. Ben je de vreemde eend in de bijt, of is studeren de normaalste zaak van de wereld? Kortom, het sociale milieu bepaalt mede of iemand gaat studeren of niet en dit wordt niet alleen bepaald door financiële middelen.
Geld speelt echter wel een essentiële rol. Zonder geld is het simpelweg onmogelijk om te gaan studeren. Als ouders niet kunnen of willen bijspringen, moet een student toch gauw een slordige duizend euro per maand ophoesten aan collegegeld, huur, eten en drinken, verzekeringen, kleding enz. Om rond te komen moet er dus flink gewerkt worden en vaak worden bijgeleend om ook nog tijd over te houden om te studeren. Dit was het geval in het oude stelsel en dit zal door de nieuwe maatregelen niet veranderen. Hooguit zal er meer geleend moeten worden, maar de voorwaarden worden dan ook een stuk aantrekkelijker. De rijkere ouders zullen iets meer bijdragen aan de opleiding van hun kroost en de studenten met minder rijke ouders worden daarvoor gecompenseerd. De ongelijkheid zal in die zin dus niet zozeer toe- of afnemen, hooguit zal de psychologische drempel iets hoger worden. Studenten met minder rijke ouders zien namelijk een enorme studieschuld tegemoet.

De ongelijke kansen op onderwijs worden dus vooral bepaald door de plek waar iemands wieg staat. We moeten echter niet overdrijven, in Nederland heeft iedereen de kans om te gaan studeren. Voor de één kost dit meer moeite dan voor de ander, maar we kunnen rijke ouders moeilijk verbieden om te investeren in hun zoon of dochter. Gelijke kansen creëren is onmogelijk, maar de mooiste doelpunten worden vaak gemaakt vanuit de moeilijkste posities. Des te meer moeite iemand moet doen om überhaupt te kunnen studeren, des te gemotiveerder diegene zal zijn. En dat is juist waar studeren om gaat, de intrinsieke motivatie om jezelf te ontwikkelen. Heerlijk ongegeneerd je kennis vermeerderen. Studeren is vooral een investering in jezelf en het is niet verkeerd dat studenten inzien dat dit kosten met zich meebrengt. Waarom zou een vrachtwagenchauffeur moeten bijdragen aan de studie van een rijkeluiszoontje, terwijl zijn ouders het prima zelf kunnen betalen? Uiteraard, studeren is ook een investering in de maatschappij en dat is juist waarom er gefocust moet worden op kwaliteit en niet op kwantiteit. Strengere toelatingseisen op de universiteiten. Ben je niet gemotiveerd? Prima, daar is de deur. De drempel en de lat mogen best wat hoger gelegd worden, op intellectueel gebied dan. Waarom zou de maatschappij investeren in studenten die hun talenten verkwanselen? Misschien is dat sociale leenstelsel geeneens zo’n heel slecht plan. Als het bespaarde geld op een goede manier wordt geherinvesteerd kan het juist de kwaliteitsinjectie betekenen die het hoger onderwijs nodig heeft. Studeren moet weer elitair worden. Niet enkel voor de economische elite, maar enkel voor de intellectuele en gemotiveerde elite.

Jaap van Ark